Nederlandse bijdrage aan de NAVO

(Transcriptie van een interview dat ik aan BNR Nieuwsradio gaf. Uitzending 15 maart 2017, 18:35, presentator Meindert Schut)

Naast al het verkiezingsnieuws hebben we het deze week over de NAVO. Belangrijk verkiezingsthema natuurlijk ook, en het is ook de week dat de NAVO haar jaarverslag presenteerde. Grote vraag: hoe groot is de rol van Nederland nog in die NAVO? Zijn we nog wel in staat onze taak als NAVO-lidstaat uit te voeren met een steeds kleiner wordende krijgsmacht die wordt geteisterd door bezuinigingen? Er wordt natuurlijk wel heel veel beloofd in de verkiezingsprogramma’s. We gaan er over praten met Hans de Vreij, hij is oud-correspondent in o.a. Berlijn en Brussel en defensiespecialist. Goed dat je er bent in de studio. Is onze krijgsmacht echt zo klein in vergelijking met andere NAVO-lidstaten? 

Vergeleken met de andere Europese NAVO-lidstaten heeft Nederland na Polen de kleinste krijgsmacht per hoofd van de bevolking. Dat is één probleem. Dan zou je nog kunnen zeggen: ‘klein maar fijn’, dus erg goed, maar dat is een ander probleem. Generaal Mart de Kruif, buiten dienst, de oude baas van de landmacht, zei van de week: “het is een verrot huis”.  Dat zijn zware woorden die een oud-generaal niet zomaar uit. Er deugt gewoon geen moer meer van.

Maar zijn die woorden terecht?

Ik vind van wel ja, ook als je kijkt naar de kritiek vanuit de NAVO zelf. Nederland kan een hele hoop dingen niet eer doen, puur om zuinigheidsredenen. Het meest maffe voorbeeld vind ik dat onze vier luchtverdedigingsfregatten zijn uitgerust met een fantastische radar, die in de ruimte ballistische raketten kan zien. Maar de eigen raketten om die aanvalsraket te onderscheppen die hebben we natuurlijk niet gekocht, want dat is véél te duur. Dat laten we de Amerikanen doen.

Daar schiet je dan letterlijk niet veel mee op. Maar als we dan zo klein zijn, ik heb vaak het idee we zitten in Mali en andere missies, dat het met onze jongens heel goed ging, en dat we daar een beetje trots op waren omdat we international echt meededen?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Hans de Vreij mee op patrouille bij Deh Rawod, Uruzgan. Op de achtergrond ‘Alexander Hill’, de plek waar volgens de legendes de troepen van Alexander de Grote de Helmand-rivier zijn overgestoken.

Mali is geen NAVO-missie, Uruzgan was dat wel. Ik ben daar ook een paar keer geweest en kan je vertellen: ook daar ging van alles totaal mis. Terwijl in de ene uithoek, Chora, het Nederlandse leger mooie sier maakte, “nou we hebben die Taliban mooi tegengehouden” werd in een andere uithoek, de Deh Rawod-vallei – die werd volkomen onder de voet gelopen. Ik vroeg toen aan de commandant: “Kunt u daar niets tegen doen?” “Nee, daar hebben we te weinig troepen voor.” Uiteindelijk moesten Amerikaanse en Afghaanse troepen dat gebied heroveren.

De PR was gewoon goed in die tijd misschien? Want er werd al die tijd gezegd, we zijn klein maar het is van de hoogste kwaliteit. 

Dat is niet zo, zegt de NAVO. En we zijn in feit in de afgelopen jaren voor de gek gehouden, onder andere door minister Hennis en premier Rutte die zeiden “we zijn aan het ombuigen, er is een koerswijziging, een trendwijziging.” Als je kijkt naar de netto-cijfers dan besteedt Nederland de afgelopen jaren minder dan één procent (van het bruto binnenlands product, hdv) aan Defensie. De ouderen onder ons hebben het wel eens over de ‘Gebroken Geweertje’-jaren in de jaren ’30. Het dieptepunt toen was 1,6 procent, daar broken riflezitten we nu vér onder.

In 2014 werd Nederland door de NAVO al op de vingers getikt vanwege het feit dat er te weinig aan defensie werd uitgegeven, waarom lukt het Nederland  niet om die krijgsmacht op orde te krijgen, de financiering ervan?

Omdat de kabinetten prioriteit hebben gegeven aan het op orde brengen van het staatshuishoudboekje en de ondersteuning van de euro. En vooral niet dingen doen die de kiezers in de portemonnee raken.

Maar goed, die crisis is in andere Europese landen ook aanwezig geweest, vaak nog wel harder dan in Nederland? 

Maar die geven ook net zo weinig uit. Hennis roept steeds: “Maar we werken heel nauw samen met Duitsland”- da’s waar, en met België, dat is ook waar. Maar die geven allebei ook weinig uit aan defensie. Er wordt wel geruild, maar het voegt geen enkele extra capaciteit toe aan de NAVO. Dat is voor de NAVO het probleem.

En daar heeft Trump natuurlijk ook op gewezen. 

Ja Trump heeft gezegd: “Jongens, jullie hebben beloofd: twee procent .” Die afspraak dateert oorspronkelijk uit 2004, en is formeel door alle lidstaten herbevestigd in 2014. En toch zie je  premier Rutte en minister Hennis roepen: “Ja, nee, maar het gaat er niet om hoeveel je besteedt maar hoe je het besteedt. Nee! Of je belooft: twee procent en dat doe je dan. Of je doet dat niet en zegt: “Fuck you! en we gaan onze eigen weg wel.

En dat is dus eigenlijk de boodschap kennelijk. Misschien niet zo diplomatiek, maar…

… Nederland is een trouwe NAVO-bondgenoot, een van de eerste lidstaten van de NAVO.  Heeft ook een paar belangrijke niche-capaciteiten. Ik noem de kernwapens die niet op Volkel liggen en straks in geval van een oorlog met Rusland door de F-35’s op Russische doelen moeten worden gedropt. Dat is een belangrijke taak. Als je kijkt naar de kritiek van de NAVO dan richt die zich niet zozeer op de marine of luchtmacht, daar zijn wel allerlei opmerkingen over gemaakt, maar op de landmacht. Want die is niet meer in staat een oorlog te voeren. Geen tanks, geen divisies, geen pantserbrigades meer.

Maar dat is het probleem van de NAVO zelf. Ik heb ooit in 2003 in Amerika een cursus gevolgd, ‘de Nieuwe NAVO’, gegeven door de NAVO. Want na de val van het IJzeren Gordijn en het uiteenvallen van het Warschau-Pact hadden ze iets van: “Wacht eens even, al die enorme legers met dienstplichtigen die zitten te wachten totdat de Russische tanks aan komen denderen over de Noord-Duitse laagvlakte, dat is niet meer. Waar we nu heen moeten dat zijn lichtbewapende expeditionaire troepen die snel naar het buitenland kunnen.”

Nederland heeft die les overgenomen en alle zware middelen weggedaan. Toen kwam Georgië 2008,  Rusland valt Georgië binnen en bezet een deel. Toen kwam de Krim in 2014, toen kwam Oost-Oekraïne in 2014.  En men realiseerde zich opeens dat de theorie van Poetin dat “overal waar Russen wonen, dat is eigenlijk van mij’, dat die ook kan gelden voor de NAVO-lidstaten Estland, Letland en Litouwen. Maar mocht die daar binnenvallen, dan heb je een echte oorlog. En dan zegt de NAVO: daar moeten we ons nu op gaan voorbereiden.  De echte, zware oorlog.

Er moet dus geld worden geïnvesteerd. Dat wordt ook door verschillende verkiezingsprogramma’s beloofd, door veel partijen. Je zegt marine en luchtmacht is nog wel redelijk, landmacht is echt niets meer. Moet daar dan ook het geld met name naar toe? Tanks kopen? 

Bizon Drawsko

Duits-Nederlandse ‘leasetank’ op oefening in Polen

We gaan er nu 18 leasen van Duitsland, die tegen het jaar 2020, over drie jaar dus, misschien operationeel zijn, misschien ook een jaar later. Dan hebben we ook nog 18 kanonnen – je kunt er niet eens Zuid-Limburg mee verdedigen. Er zal dus enorm geïnvesteerd moeten worden. Maar de ervaring leert dat het ombouwen van legers, dat kost tijd. Ik denk dat je moet rekenen tien jaar voordat de Nederlandse landmacht weer op orde is.

Maar om even een vies woord te gebruiken, is dat nog wel nodig of moeten we misschien denken: stop dat geld dan liever gelijk in de samenwerking in een Europees leger? Dat is dan het vieze woord dat  ik bedoelde.

Het probleem met een Europees leger is dat het geen kernwapens heeft, behalve Engeland en Frankrijk, maar die gaan die niet voor de EU inzetten, never. We zijn een club die wordt verdedigd door Pappa Amerika met z’n kernwapens. Zoals president Theodore Roosevelt in 1900 zei: “Talk softly and carry a big stick“.

Maar is dat juist niet het gevolg dat we zo weinig hebben geïnvesteerd in onze defensiemacht omdat we die bescherming voelen van Amerika? 

Natuurlijk. We konden rustig achterover leunen. Maar nu komt het punt met Trump. Ik vraag me af of Trump bereid zou zijn om kernwapens in te zetten ter verdediging van Estland of Letland – Litouwen is een ander verhaal, minder Russen. Ik denk het niet. Als Poetin dat ook denkt, dan gaan er hele rare dingen daar gebeuren. De NAVO zegt: OK, dan zetten we daar extra troepen neer, we noemen dat een nucleaire struikeldraad, allemaal Westelijke NAVO-troepen, ook een Nederlandse compagnie van 200 man. Ik ben heel benieuwd wat Poetin gaat doen.

Dat zal de toekomst uitwijzen. Nog even heel kort: Nederland heeft het niet op orde, dat weten we ook allemaal, maar wel al heel lang NAVO-lid natuurlijk, een van de eerste leden. Hebben we ook nog wat te vertellen binnen de NAVO? 

Ja, volledig, we zijn volwaardig lid van de NAVO. Het hoofd van het Militair Comité van de NAVO, een van de belangrijkste organen, is de Nederlandse generaal Jan Broeks. 

++++++++++++++

 

Geplaatst in Defensie, NAVO, Rusland, Uruzgan | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

‘Russian Spy and I’

palais

The Palais des Nations in Geneva, Switzerland.

Chapter I: Opening Moves

“Excuse me, are you from the Soviet Union?” The question in Russian was almost superfluous. The man I addressed from behind was a typical homo sovieticus. The wrong suit and shoes, a typical haircut. The year: 1987. Location: the Palais des Nations, the European headquarters of the United Nations. He was looking at advertisements for ‘Apartments for Rent’. Thus began my contacts with Mikhail Petrukhov, KGB operative*.

Later Mikhail told me he thought at the time I was working for a Western intelligence service. Who else would address him from behind in the correct language? The answer was simple. I had studied Russian language and literature in university, and had a keen interest in the Soviet Union. Identifying him as a Soviet citizen was a piece of cake.

In the weeks that followed we met now and then in the UN coffee bar. Mikhail was a Soviet diplomat, accredited to the United Nations Office in Geneva, specialized in the UN development organization UNCTAD. But it soon turned out his real expertise lay in topics that had nothing to do with ‘Trade and Development’: human rights, nuclear weapons, Afghanistan, and other issues  popular in the late 1980s.

At first my contacts with this Soviet diplomat were no different than those with other diplomats in the Palais des Nations. You usually heard a bit more from them than at the boring weekly media briefings of the UN itself. But soon Mikhail made a mistake. We had lunch in an expensive restaurant. At the time I was a dead-poor freelancer, struggling to keep my head above water in one of the most expensive cities in the world.  Anyway, after the lunch the waiter presented the bill. I offered to pay. He paid, of course. But when we left he didn’t pick up the bill and left it on the table.

Now any Western diplomat would have taken the bill with him so he/she could declare it as expenses. And Soviet diplomats in those days did not have unlimited access to foreign (read: capitalist) currencies.  However, I had read that Soviet intelligence operatives of a certain rank had a monthly allowance of Swiss Francs, to be spent at their discretion.

From that moment onward, I paid extra attention to what Mikhail said and did. My first job had been with the Dutch section of Amnesty International, an organization which was conscious of possible hostile activities of secret services. I picked up a few bits of useful information from them. Soon, Mikhail did something which betrayed his identity beyond doubt.

As far as journalists were concerned, the KGB worked mainly to develop ‘agents of influence’: journalists who were not paid by the KGB but did disseminate Soviet points of view. In addition, they analyzed the ‘targeted journalist’ in terms of possible blackmail: ‘kompromat‘ (compromising material). This especially held true for journalists who later might find themselves in an important position, such as press spokesman at a ministry.

In 1987, the UN Conference on Disarmament (CD) was negotiating a worldwide ban on chemical weapons. As hardly any other journalists covered this, I did, and soon became one of the ‘experts’ on this particular topic.  Doors that hitherto had been closed to me opened and there were invitations for interesting  chemical weapons-related UN trips to the Soviet Union and Japan.

shikhany-1987

The author of this article during a UN visit to a Soviet chemical weapons base in Shikhany (Saratov oblast), 1987


Then Mikhail made his opening move. “You know so much about chemical weapons”, he told me. “Would you be willing to write an article about the state of play at the CD negotiations for the internal magazine of our Ministry of Foreign Trade?” He added the article would have to be published under his name, of course.  Alarm bells were ringing all over the place. Internal magazine? Ministry of Foreign Trade? Under his own name? What to do? Mikhail had proven to be a reliable source of information. But this? I decided to proceed, while staying on the safe side. So, I made a summary in English of an already published article that I had written for the Dutch newspaper ’Trouw’.
A few weeks later he made another move that betrayed him. After yet another dinner in a busy restaurant in downtown Geneva he produced an big envelope from his jacket. “Here is the money for the article, they really liked it”. I waved my hands in front of me, conscious that there might be a guy with a camera elsewhere in the restaurant who could record a highly suspect event, to be filed under kompromat. I told Mikhail that I appreciated the useful information he provided now and then, as well as the free dinners. But taking money? No way!

Later I was contemplating Mikhail’s move while at my desk in the press room in the Palais des Nations. He had clearly gone too far. I consulted an American colleague whom I had often seen in the company of another Soviet diplomat. Turned out his story was almost an exact copy of mine: lunches, dinners, ‘forgotten’ bills, a request to do something for them. I decided it was time for a counter-offensive!

Chapter II: counter-offensive 

The occasion presented itself during a reception at the Soviet mission to the UN on the day the USSR commemorated the 1917 October Revolution. I scanned their ranks for someone higher in the hierarchy than Mikhail. Perfect suit and shoes, but a wrong hairdo and glasses led me to someone who turned out to be the First Secretary of the Permanent Representation to the UN. These were the Gorbachev years, so we talked about ‘Glasnost’ and ‘Perestroika’. “We like it”, I said, “but the behavior of the ‘organs'(read: KGB/GRU) is still old-fashioned.” And I told him about my experiences with Mikhail Petrukhov, without mentioning his name.

The diplomat veined innocence. “There are no KGB people in Geneva”, he said. “That may be”, I replied’, “but several colleagues of mine have the same experience as me, and the ACANU (association of UN journalists in Geneva) is considering to file a formal complaint.” Now this was untrue. I had consulted the chairperson of ACANU, a seasoned British journalist. But he said this was standard behavior of the Soviets. In retrospect, I think the man had been around the block a few times too many…

A few days later Mikhail Petrukhov called me on my UN extension number, something he had rarely done before. Coffee? Sure. The man turned out to be in panic. “What on earth did you tell them?”, he asked.  It turned out that my remarks at the reception had led to a emergency meeting at the Soviet UN mission. Diplomats were told the ‘the UN journalists’ had complained about the behavior of ‘the organs’. Not true, but who was I to complain?

I told him how stupid he had been, what with the forgotten bill; the request to write something for him, and the attempt to give me an envelope in a packed restaurant. “You are a pretty stupid spy”, I told him.  “I wonder what to do with you. Shall we have you extradited?”, adding that I knew the Geneva head of police through a colleague of mine, and that extradition could easily be arranged.

And there I head him cornered, so to speak. For KGB operatives and their families, Geneva was one of the most wonderful postings in the world.  Mountains! Skiing! A huge lake! Affluent! Clean air!

Mikhail became as meek as a lamb. We continued to be in touch until I left Geneva in early 1990. Now and then he’d spoon-feed me nice scoops which invariably turned out to be true. He never asked me to do something for him, with one exception.

CHAPTER III: Amnesty International

My first job had been spokesman of the Dutch section of Amnesty International (AI), at the time the largest of the organization. Mikhail knew that. And since the official AI representative in Geneva was new and inexperienced, he approached me about an issue which, in his view, was highly delicate. The idea of opening an official Amnesty International office in Moscow. In those years, the idea alone was outright revolutionary. Amnesty had bombarded the Soviet authorities for decades with petitions for political prisoners, and now an office?

We held quite a few sessions in which he asked me anything you’d want to know about AI. Who were the members, where did the money come from, who decided which countries were ‘targeted’? “Why don’t you read a few AI leaflets”, I proposed. No, he had to hear it from me directly. More dinners come question time…

One day he told me that the International Secretariat had sent a letter to the Soviet government, proposing to send a delegation to Moscow to discuss the possible opening of the local AI office there. “Tell them it doesn’t work that way”, Mikhail told me. “First they’ll have to talk on neutral ground with Fyodor Burlatsky  (Gorbachev’s troubleshooter at the time, hdv)”.

So, I called Amnesty’s international secretariat in London and passed on the message to their legal adviser, the late Sir Nigel Rodley. A long silence on the other side of the line. “How on earth do you know about that letter, it is highly confidential”, Nigel said.  I explained that I was just acting as a messenger boy for someone I believed to be a KGB operative.

Later, I heard that AI’s secretary-general had indeed met with Burlatsky in Paris, and that after a while AI got its office in Moscow. After the dissolution of the Soviet Union I heard that the ‘Amnesty International’ issue had been hotly debated between the KGB (against) and the ministry of Foreign Affairs (in favor).

Chapter IV. Aftermath

In 1991, after the Soviet Union ceased to exist, Mikhail was recalled to Moscow. But there was a sequel to my contacts with him. I had in the meantime moved to Prague, but often visited Geneva to see old friends. Two days after my arrival in 1991 (may have been 1992) I received a phone call. The spokesman of the US Permanent Representation. He invited me for lunch. Over coffee he talked business. “You knew so many Soviet diplomats. Could you make a list for me about who you think worked for the KGB?”

Politely I declined the invitation, and explained the only thing that interested me was whether information diplomats provided too me was correct. Instantly, the smile disappeared from his pockmarked face. “You were in touch with the most important KGB operative here in Geneva!” That couldn’t have been the somewhat oafish Mikhail, I thought. It wasn’t. The Americans somehow knew (but that wasn’t rocket science) about my contacts with Anatoliy Shchekochikhin, the media spokesman of the Soviet delegation to the UN Conference on Disarmament. He never gave me false information, something I couldn’t say about his U.S. colleagues.  He was a ‘modern’ Russian who had never asked me anything odd, nor fed me false information. I must confess I did organize a private party for him once with two nice Swedish girls for him once, in a bungalow I had borrowed from a friend.  But rest assured. Nothing out of the ordinary happened.

I told my American interlocutor: ”If all Russian diplomats are like him, you needn’t worry”. But it was clear he didn’t appreciate my answer… Years later, in 2001, Anatoliy Shchekochikhin was one of 50 Russian spies extradited from the U.S., the largest Persona non grata action since the end of the Cold War. And thanks to Google, Mikhail turned up later as a diplomat in Finland.

*KGB operatives don’t show you their ‘membership card’. I deducted his true profession through his behavior.  I never found out what he did in terms of ‘spying’. Obviously intelligence services in Geneva tried to find out negotiating positions at the UN, WTO, START talks etc. . Mikhail did tell me once they would, at night, copy research papers at the World Health Organization (WHO) in order to save money for the Motherland.

** I once heard the estimated number of KGB/GRU operatives in Geneva was about 400.

*** One of the anecdotes I heard about after I had left Geneva was this: every diplomat who during the day had been in physical contact (read: shook hands) with a foreigner had to report in person that same day to the rezident (KGB boss) in the Permanent Representation. Shaking hands was of course a perfect method to pass a piece of paper or a microfiche. They didn’t trust each other very much…

**** Another anecdote concerns John Tower, a former Republican senator who was appointed as head of the US nuclear weapons negotiating team with the Soviets (START talks) in Geneva in 1985.  He was nominated to be the next US Secretary of Defense in 1989.

pickwick-barLo and behold, information popped up that Tower had been seriously compromised by a KGB ‘swallow’ (female operative) while in Geneva. The initial scene of the action: the Mr. Pickwick bar at 80 Rue de Lausanne. The bar was just around the corner from the building on Avenue de France where the US arms control people worked at the time.

I don’t know the details of the kompromat the KGB gathered on Tower. But it must have been pretty serious. I read that the FBI called in the CIA to investigate John Tower and some of his fellow START negotiators, and that the CIA produced a 120-page report on the matter. In a unprecedented move, the Senate rejected his nomination by  47–53 votes.

[The title of this story refers to a 1966 hit of the Dutch pop group The Hunters.]

This article in Dutch

Geplaatst in Intelligence, Russian Federation, Soviet Union, United Nations | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Russian Spy and I

Zo af en toe moesten de websites van de Wereldomroep (waar ik jaren heb gewerkt) worden opgezuiverd. Oude artikelen maakten plaats voor nieuwe. Dat lot trof jaren geleden ook Russian Spy and I, anekdotes op spionagegebied uit de jaren 1987-1990. In de serie ‘uit de oude doos’ hier dat artikel, dat ik eind jaren ’90 schreef.

Tijdens de Koude Oorlog was de Zwitserse stad Genève op spionagegebied een van de wereldhoofdsteden. Er liepen naar schatting 400 KGB-medewerkers rond, en minstens evenveel mensen van de CIA. Ook de geheime diensten van Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en veel derdewereldlanden waren vertegenwoordigd. En natuurlijk moesten de Zwitsers op hun beurt dat hele gezelschap in de gaten houden. Ik werkte er een paar jaar als correspondent voor onder meer het dagblad Trouw en de Wereldomroep. Een blik in een schimmige wereld. Over slordige agenten, foute schoenen, een vergeten bonnetje van een diner, en de opening van een kantoor in Moskou van Amnesty International.

Russian Spy and I

Door Hans de Vreij

Ik vroeg in het Russisch: “Neemt U mij niet kwalijk, maar komt u uit de Sovjetunie”? Het antwoord wist ik eigenlijk al, want de man die ik van achteren aansprak vertoonde alle kenmerken van de homo sovieticus. Het verkeerde pak, foute schoenen, merkwaardige haarsnit. Plaats van handeling: het Palais des Nations, het Europese hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Genève. Zo begon in 1987 mijn contact met Michail Petroechov., medewerker van de KGB, de geheime dienst van de voormalige USSR. De plaats van handeling was nogal banaal: de advertentievitrines in het gebouw. Michail keek er naar ‘woningen te huur’. Ik ook.

Later zou Michail me vertellen dat hij er zeker van was dat ik een westerse inlichtingendienst vertegenwoordigde. Wie anders spreekt iemand van achteren in de juiste taal aan? Michail kon niet weten dat ik hem dankzij mijn studie Russisch en een uitgebreide belangstelling voor de toenmalige Sovjet-Unie zonder veel moeite correct had geplaatst.

Een kopje koffie hier, een lunch daar, en het contact was gelegd. Michail Petroekhov was Sovjet-diplomaat, geaccrediteerd bij de Verenigde Naties in Genève en gespecialiseerd in de VN-ontwikkelingsorganisatie UNCTAD. Maar al snel bleek zijn werkelijke deskundigheid niet te liggen op het gebied van de ontwikkelingslanden. De man wist verbazingwekkend veel over mensenrechten, kernwapens, Afghanistan, en andere zaken die in die tijd actueel waren.

Kapitale fout

In het begin was het contact met deze Russische diplomaat niet anders dan de andere diplomatieke contacten die ik onderhield. Zo kreeg je als journalist soms wat meer te horen dan op de wekelijkse oersaaie persbriefings van de VN. Maar Michail beging al snel een kapitale fout. Hij had mij voor onze eerste gezamenlijke lunch uitgenodigd in een wat duurder Geneefs restaurant. Niet ongebruikelijk. Maar toen kwam de rekening. Hij betaalde, uiteraard. Maar vervolgens liet hij de rekening demonstratief liggen. Fout! Iedere westerse diplomaat of VN-ambtenaar had de bon meegenomen om de lunch te kunnen declareren.

Maar de Russen moesten in die tijd letterlijk iedere cent westerse valuta die ze uitgaven kunnen verantwoorden. Behalve één soort Russen: de medewerkers van de inlichtingendiensten KGB en GROe (de militaire tak), die vanaf een bepaalde rang en op bepaalde posten min of meer vrijelijk over buitenlandse valuta beschikten. Vanaf dat moment was ik in de omgang met Michail extra op mijn hoede. Bij mijn eerste werkgever, Amnesty International, was men enigszins beducht voor belangstelling van de kant van buitenlandse inlichtingendiensten. Daar pikte ik het een en ander van op. En al snel ging Michail over tot een stap die hem definitief zou verraden.

Agents of influence

De KGB werkte, waar het journalisten betrof, aan het werven van agents of influence – mensen die niet door de KGB betaald werden, maar gebruikt werden om via de massamedia Sovjet-standpunten te helpen verbreiden. Bovendien werd gekeken of de persoon in kwestie chantabel was (of was te maken). Dat kon in de toekomst van pas komen, mocht de journalist in kwestie een belangrijke functie krijgen. In die dagen werd in Genève onderhandeld over een wereldwijd verbod op chemische wapens. Toevallig was ik in dat onderwerp gerold en aangezien vrijwel niemand anders er belangstelling voor had, kon ik me al snel tot de ‘top-experts’ rekenen. Deuren die eerder gesloten waren, gingen open. Er kwamen uitnodigingen van de VN voor leuke reisjes naar Rusland en Japan.

Ministerie van Buitenlandse Handel

Toen kwam de openingszet van Michail. “Je weet zoveel van chemische wapens”, zei hij op een dag. “Wil je niet voor het interne blad van ons ministerie een stuk schrijven over hoe het met de onderhandelingen gaat.” Het interne blad? Van het Sovjet-ministerie van buitenlandse handel, waar Michail op papier voor werkte? En dan moest het uiteraard ook nog onder zijn naam worden gepubliceerd. Het voorstel stonk een uur in de wind. Aan de andere kant: Michail had zich ontpopt tot een waardevolle bron voor informatie over van alles en nog wat. Dus wat te doen? Ik besloot op het voorstel in te gaan, maar aan de veilige kant te blijven door Michail alleen informatie te verstrekken die in Nederland al was gepubliceerd. Een samenvatting in het Engels van een artikel dat ik al in het dagblad Trouw had gepubliceerd.

shikhany-1987

De auteur van dit artikel tijdens een bezoek aan een basis voor chemische wapens in de Sovjet-Unie, 1987

Geld

Een paar weken later gebeurde dat waar ik op zat te wachten. Na afloop van weer eens een etentje in een druk restaurant in het centrum van Genève haalde Michail, net iets te demonstratief, een grote envelop uit zijn binnenzak. “Hier is het geld voor je artikel, het was erg goed, iedereen is tevreden”. Even demonstratief zwaaide ik met mijn handen van “nee, nee!” Ik legde hem uit dat ik er absoluut geen geld voor wilde hebben, en dat ik als armlastige freelance-correspondent al heel blij was met de nuttige informatie en de regelmatige gratis dinertjes. Maar in het openbaar een envelop aannemen van een Sovjet-diplomaat, dat ging even te ver, bedacht ik me.

De volgende dag besloot ik dat ik toch iets terug moest doen wegens deze al te openlijke poging tot omkoperij. Ik raadpleegde een Amerikaanse collega die ik opvallend vaak in het gezelschap van een andere Russische diplomaat had gezien. Zijn ervaringen bleken een 1:1 kopie van de mijne. Tijd voor actie. De gelegenheid liet niet lang op zich wachten. De jaarlijkse ontvangst voor journalisten op de Sovjet-missie bij de VN ter gelegenheid van de verjaardag van de Oktoberrevolutie.

Tegenzet

Na wat plichtplegingen met bekenden speurde ik naar de hoogst mogelijke Russische diplomaat die ik kon aanspreken. Dat was niet zo moeilijk: de combinatie van een goed pak, goede schoenen, maar een foute bril en haardracht voerde me naar de persoon die de Eerste Secretaris bleek te zijn. Babbelen. Ik legde hem uit dat wij journalisten erg tevreden waren over de nieuwe ‘Glasnost’ van Michail Gorbatsjov, maar dat het gedrag van ‘de diensten’ nog wel erg ouderwets was. En vervolgde met een korte samenvatting van het gedrag van Michail Petroekhov, zonder overigens diens naam te noemen.

De Russische diplomaat veinsde onschuld. Er waren helemaal geen KGB-mensen in Genève, beweerde hij. “Dat kan wel zo zijn”, antwoordde ik, “maar verschillende collega’s hebben dezelfde ervaring als ik, en de journalistenvereniging overweegt een officiële klacht in te dienen”. Toegegeven, dat was niet helemaal waar, maar het werkte wel.

Twee dagen later belde Michail me op bij de VN. Of we meteen even koffie konden gaan drinken. Hoogst ongebruikelijk, want we troffen elkaar bijna nooit in het gebouw van de VN. Maar de goede man bleek behoorlijk in paniek. “Wat heb je in vredesnaam gezegd”, vroeg hij. De Sovjet-ambassadeur bleek daags na de receptie een spoedbijeenkomst van het voltallige personeel van de Permanente Vertegenwoordiging bij de VN bijeen te hebben geroepen. “De journalisten bij de VN hebben geklaagd over het gedrag van de KGB-mensen”, hadden ze te horen gekregen. Ook kort door de bocht, maar goed.

Met nauwelijks ingehouden genoegen legde ik Michail uit welke fouten hij allemaal had gemaakt, met het bonnetje in het restaurant, de poging om me tegen betaling iets te laten schrijven, de envelop met geld in het restaurant. “Jij bent een hele domme spion, en ik vraag me nu af wat ik met je moet doen. Zullen we je door de Zwitserse autoriteiten laten uitwijzen”? En daarmee had ik hem te pakken. Want een KGB‘er is ook maar een mens en Genève was voor hen een fantastische post. De bergen om de hoek, een meer om te zwemmen en te zeilen, lekker eten en ga zo maar door.

Voor het eerst toonde Michail zich zo mak als een lammetje. En tot mijn vertrek uit Genève, begin 1990, hadden we nog een uiterst aangenaam contact. Hij gaf me bij tijd en wijle leuke primeurs die allemaal verifieerbaar correct bleken te zijn. En nooit meer vroeg hij mij iets voor hem te doen … op één uitzondering na.

Amnesty International

Een van mijn vorige banen was woordvoerder van de Nederlandse afdeling van Amnesty International. Dat wist Michail. En omdat de toenmalige officiële Amnesty-vertegenwoordigster in Genève kersvers en nog onervaren was, benaderde hij mij over een in zijn ogen zeer delicate kwestie. De opening van een officieel kantoor van de organisatie in Moskou. Je staat er nu niet meer bij stil, maar eind jaren ’80 was alleen het idee al revolutionair. Twintig jaar lang was Amnesty International de luis in Sovjet-pels geweest, en dan een eigen kantoor in Moskou?

Michail vroeg me honderduit over de organisatie. Wie waren de leden, waar kwam het geld vandaan, wie bepaalde het beleid. Standaardvragen zoals ik die in mijn Amnesty-tijd zo vaak moest beantwoorden. “Waarom lees je niet eerst een paar foldertjes”, suggereerde ik. Nee, hij moest het uit mijn eigen mond horen. Nog meer diners annex vragenuren.

Brief aan Moskou Op een dag vertelde hij me dat het Internationaal Secretariaat van Amnesty in Londen in een brief aan de regering in Moskou het voorstel had gedaan om een delegatie naar de hoofdstad van de Sovjet-Unie te sturen om over dat nieuwe kantoor te komen praten. “Zeg ze maar dat dat zo niet werkt. Ze moeten eerst op neutraal terrein gaan praten met Fjodor Boerlatski”. Die was op dat moment de officiële troubleshooter van Gorbatsjov voor kwesties als de mensenrechten.

Ik belde Londen en bracht de boodschap over. Stilte aan de andere kant van de lijn. “Hoe weet jij in vredesnaam van het bestaan van die brief? Die is zeer vertrouwelijk!”. Ik legde uit dat ik slechts als boodschappenjongen optrad, en dat de boodschap afkomstig was van iemand waarvan ik aannam dat hij voor de KGB werkte. Ik hoorde er de dagen erna niets meer van, maar binnen enkele weken sprak de secretaris-generaal van Amnesty in Parijs met Boerlatski. Enige tijd later ging het Amnesty-kantoor in Moskou open.

Naar ik pas na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie van een Russische diplomaat hoorde, was dat kantoor onderwerp geweest van een felle strijd tussen de KGB (faliekant tegen) en Buitenlandse Zaken (voor). Met de steun van Gorbatsjov en Boerlatski had Buitenlandse Zaken uiteindelijk z’n zin gekregen.

In 1991 moest Michail uit Zwitserland vertrekken. Net als zoveel KGB-personeel werd hij na de mislukte coup tegen Gorbatsjov en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie naar huis teruggeroepen. Maar mijn contacten met hem kregen nog een staartje. Ik woonde inmiddels in Praag, maar kwam nog regelmatig in Genève. Zo logeerde ik kort na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie bij een collega. Na twee dagen ging de telefoon. De perswoordvoerder van de Amerikanen. Uitnodiging voor een lunch. Tijdens het eten praatten we over koetjes en kalfjes, en bij de koffie kwam de aap uit de mouw. “Jij had altijd veel contact met de Russen, wie van hen werkte volgens jou voor de KGB?”

Belangrijkste agent

Beleefd wimpelde ik deze uitnodiging tot openhartigheid weg en legde uit dat ik tal van contacten had en dat alleen de vraag of die contacten nuttige informatie voor m’n werk opleverden me interesseerde. De ingebakken glimlach verdween van het pokdalige gezicht van mijn Amerikaanse disgenoot. “Jij had anders wel contact met de belangrijkste man die de KGB hier in Genève had!”

Dat kan die nogal suffe Michail niet zijn geweest, dacht ik bij mezelf. En inderdaad: volgens de Amerikaan ging het om de perswoordvoerder inzake chemische wapens van de Sovjet-vertegenwoordiging. Een deskundige en moderne Rus waarmee ik inderdaad veel was omgegaan. Hij had me nooit vals voorgelicht, wat ik van de Amerikanen niet altijd kon zeggen. “Ach, als alle KGB-medewerkers als hij zijn, dan hoeven jullie je nergens zorgen om te maken”, zei ik. Maar bij de Amerikanen had ik het even goed verbruid…

PS: de chemische wapens-perswoordvoerder annex KGB-medewerker Anatolij Sjchekotsjichin zou jaren later weer in het nieuws komen. Hij was een van de vijftig Russische diplomaten die in 2001 wegens spionage groepsgewijs de Verenigde Staten werden uitgegooid. Het laatste wat ik dankzij Google van Michail Petroekhov vernam was dat hij als diplomaat in Helsinki werkzaam was.

Engelstalige versie van dit artikel

Geplaatst in Intelligence, Rusland, Russian Federation, Verenigde Naties | Tags: , , | 1 reactie

De fake tropenarts

Uit de serie ‘Opa vertelt’ vandaag de aflevering over de fake tropenarts op Fuerteventura. Het jaar was 2005 en yours truly werd op dat Canarische eiland gefotografeerd in gezelschap van enkele Nederlandse militairen. Maar waarom die lichte en luchtige kledij gelijk die van een tropenarts, hoor ik u vragen.

the-dutch-gang

Tropenarts met militairen

Dat zat zo: ik was als eerste en enige journalist mee met de NATO Response Force, de toen net nieuwe interventie-eenheid van de NAVO. Volledig embedded bij het hoofdkwartier, waardoor ik exclusieve toegang had tot uitermate interessante informatie en mensen (om maar te zwijgen van een boeiende vaartocht op het Britse vliegkampschip HMS Invincible, van Marseille tot Fuerteventura). Een en ander was geregeld door een van de militairen op de foto. Op persoonlijke basis, er was verder geen pers uitgenodigd.

Een tijdje voordat ik naar Marseille zou afreizen om daar aan boord te gaan van de Invincible belde de militair me op.  Vertrouwelijke informatie. Of ik wel alle noodzakelijke tropenvaccinaties had. Huh? Die zijn op de Canarische eilanden toch niet nodig? Nee, was het antwoord. Maar de NRF-oefening Noble Javelin zou na afloop naadloos overgaan in een echte operatie van de NRF in Oost-Congo, ter ondersteuning van de VN-vredesmacht aldaar, toen onder leiding van de Nederlandse generaal Patrick Cammaert. En ik kon als enige journalist mee. Wow!

Dat het hier om uiterst geheime informatie ging hoefde niemand me te vertellen. Ik lichtte dus alleen mijn directe chef  in diepste vertrouwen in (i.v.m. verzekeringen en zo) en haalde de nodige vaccinaties. Bij een outdoor-winkel kocht ik een zonnelader voor mijn satelliettelefoon en kleding die bestand zou zijn tegen tropische hitte. Zag er daardoor uit als een soort tropenarts, maar who cares. Kocht ook een paar gevechtslaarzen, want je weet maar nooit en ik kon het tóch declareren.

hms_invincible

HMS Invincible: volle kracht vooruit

Aangekomen op Fuerteventura ging ik braaf verder met mijn verslaggeving over de oefening, zonder natuurlijk ook maar de geringste aanwijzing te publiceren dat het om meer dan alleen maar een oefening zou kunnen gaan. Maar op een gegeven moment ging ik bij ‘mijn’ militair toch maar eens vragen wanneer we nou naar Congo zouden vertrekken. Niet, was het antwoord.

Het hele Congo-verhaal bleek alleen maar een test te zijn om te zien of ik te vertrouwen was met geheime informatie. Je zult ze namelijk de kost moeten geven die ‘nieuws’ over een aanstaande NAVO-interventie in Afrika zonder aarzelen in de krant zouden plempen… Het was natuurlijk een behoorlijke tegenvaller. Aan de andere kant moest ik toegeven dat het een briljante vertrouwenstest was geweest. Zo heb ik ze daarvoor en daarna nooit meer meegemaakt  🙂

Geplaatst in Defensie, NAVO | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Shikhany 1987

For decades the Soviet Union had denied it possessed chemical weapons. But in 1987 it came clean under orders of party leader Mikhail Gorbachev. The USSR invited delegates of the Geneva-based Conference on Disarmament to see samples of chemical munitions. This took place in Shikhany, a hitherto closed chemical weapons facility and testing ground on the Volga, some 750 kms southeast of Moscow.

I was one of the few journalists invited to cover the event. Here are some of the pictures I took back then. Details of the visit, the munitions shown and chemical warfare agents of the Soviet Union can be found here. More pictures I took are here.

img_20161004_00101

Approaching the Shikhany chemical weapons base.© 1987 Hans de Vreij

 

img_20161004_0019

UN delegates ate Shikhany. © Hans de Vreij

 

 

Chemical warhead for the Scud missile. Filled with 555 kilograms of persistent VX nerve gas. Lethal dose (LD50) = 10 mg

Chemical warhead for the Scud missile. Filled with 555 kilograms of persistent VX nerve gas. Lethal dose (LD50) = 10 mg. © Hans de Vreij

 

Two Dutch diplomats and a VX warhead for Scud missiles. © Hans de Vreij

Shikhany 1987. Two Dutch diplomats and a VX warhead for Scud missiles. © Hans de Vreij

 

Assorted chemical munitions

Shikhany 1987. Assorted chemical munitions. © Hans de Vreij

 

Assorted chemical munitions. © Hans de Vreij

Shikhany 1987. Assorted chemical munitions. © Hans de Vreij

Chemical spray tank, free-fall bomb. © Hans de Vreij

Shikhany 1987 Chemical spray tank, free-fall bomb. © Hans de Vreij

 

© Hans de Vreij

Shikhany 1987. © Hans de Vreij

 

 

Dutch Permanent Representative to the Conference on Disarmament, ambassador Robert van Schaik. © Hans de Vreij

Shikhany 1987. Dutch Permanent Representative to the Conference on Disarmament, ambassador Robert van Schaik. © Hans de Vreij

 

The main protagonists during the negotiations on a chemical weapons ban. Ambassador Max Friedersdorf (U.S., left) and Yuri Nazarkin. © Hans de Vreij

Shikhany 1987. The main protagonists during the negotiations on a chemical weapons ban. Ambassador Max Friedersdorf (U.S., left) and Yuri Nazarkin. © Hans de Vreij

 

Colonel-General Vladimir Pikalov, commander of the Soviet Chemical Warfare Troops. © Hans de Vreij

Shikhany 1987. Colonel-General Vladimir Pikalov, commander of the Soviet Chemical Warfare Troops. © Hans de Vreij

 

Lieutenant-General Anatoly Kuntsevich, deputy commander of the Soviet Chemical Warfare Troops. © Hans de Vreij

Shikhany 1987. Lieutenant-General Anatoly Kuntsevich, deputy commander of the Soviet Chemical Warfare Troops. Later he reportedly was involved in providing Syria illegally with precursors to nerve gas. © Hans de Vreij

 

© Hans de Vreij

Shikhany 1987. Soldier of the Chemical Warfare Troops. © Hans de Vreij

 

Shikhany 1987. Mobile unit for the destruction of chemical weapons ‘Neitral’. © Hans de Vreij

 

Shikhany 1987. Mobile unit for the destruction of chemical weapons ‘Neitral. Prior to neutralization of a free-fall bomb a rabbit was injected with the Sarin from the bomb to prove the experiment was real. It was . Picture MOD USSR

Geplaatst in Chemical weapons, massavernietingswapens, Russian Federation, Verenigde Naties, weapons of mass destruction | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Stratfor: The U.S. and Russia Plan for Conflict

Analysis MAY 25, 2016

Forecast
Despite genuinely wanting to resolve some of their conflicts, the United States and Russia’s mistrust of one another is not going away.
Both countries will focus on long-term security initiatives as they prepare for an enduring period of hostility.
Defense programs will center on key security areas, including deployments in Eastern Europe, missile defense and the strategic nuclear balance.

Analysis
Hope for the best, prepare for the worst. That is the mantra the United States and Russia are abiding by as they plan for a tense few years ahead. In critical areas, including the conflicts in Syria and Ukraine and arms control negotiations, both countries would genuinely like to negotiate viable solutions. Nevertheless, the mistrust between the two runs deep, and vast differences of opinion and outright conflicts of interest will continue to undermine efforts to reach a comprehensive deal. With little hope of a positive outcome, the strategic decision-makers in Washington and Moscow are cementing their security positions against each other during this period of significant hostility.

The critical 2016 Warsaw summit, to be held July 8-9 among NATO members, is fast approaching. Out of the summit, the United States hopes a clear, united purpose will emerge for the divided security alliance. The key challenge for Washington will be to reassure its Eastern European allies, especially Poland and the Baltic states, that they will be supported against Russia, an ever-increasing concern now that Moscow has invested itself militarily in Ukraine. The United States has already taken measures to bolster forces on NATO’s eastern flank, but these forces are currently little more than a symbol of U.S. commitment.

The next step for Washington, and a key part of its long-term security plan for Europe, is to enlist greater support from crucial NATO partners for deployments on the bloc’s eastern flank. The United States needs help from its European allies to carry some of the burden of deployments and to act as a united front to deter Russia. But as Poland and the Baltic states call for a permanent deployment of NATO forces, the United States is having a hard time convincing its partners to deploy significant rotational forces, much less a permanent garrison, to Russia’s doorstep. Germany in particular has been difficult to convince, since its leaders hope to renew lucrative business ties with Russia. Moreover, the German population is generally wary of a confrontation with Russia and the prospect of sending forces to defend Poland and the Baltic states.

To bridge the gap between its Western and Eastern European NATO allies, Washington is pushing for a deployment model that eschews permanent basing in favor of permanent presence. In what is being called a heel-to-toe model, the United States is reportedly negotiating the presence of forces, which will consist of a battalion in each of the Baltic states plus Poland on a six-month rotation, to be announced in the Warsaw summit. The United States plans to offer two battalions but hopes its NATO allies will agree to provide the other two. From Washington’s perspective, a long-term and unified NATO effort on the alliance’s eastern front is the key to deterring further Russian action.

But what Washington portrays as defensive deployments and reassurance initiatives looks very different from Moscow’s perspective. Given Russia’s history of being invaded from the west, a growing NATO presence on its frontier is causing concern. Driven by these fears, Russia is already building up its forces to better position itself against NATO.

Initially, Russia began transitioning its military to a brigade structure for greater flexibility in dealing with unrest and insurgency to the south. But now Moscow has changed its strategy, rapidly restructuring its military into a division-level force that is focused on high-end conventional war against a potential enemy like NATO. Last February, Russia finished reactivating the 1st Guards Tank Army in Russia’s Western Military District, a spearhead force built around heavy armor and artillery for offensive and defensive operations on the Great European Plain. Furthermore, Russia is transitioning at least three more of its brigades into division-sized units close to its western frontiers.

What Drives the Conflict
Beyond conventional force deployments, a core variable that drives much of the conflict between NATO and Russia is the development and deployment of ballistic missile defense technology. This is epitomized in the debate over the U.S. initiative to deploy ground-based missile defenses in Eastern Europe, a program known as the European Phased Adaptive Approach. The plan dates back to 2009, and NATO has insisted since its inception that the initiative is meant to protect Europe from a potential Iranian missile threat and is thus entirely unrelated to Russia. But Moscow has vehemently opposed the program, claiming it poses a direct threat to Russian interests.

ABM-SM-3-3-Phase-Evolution-anti-ballistic-missile-system.png

Essentially, the dispute boils down to Russia’s concerns over its long-term strategic security. For all the current focus on Russian military modernization, Moscow is keenly aware of its overall conventional military weakness against NATO and a rising China. In response, the Russians have progressively leaned on their powerful nuclear arsenal as the ultimate deterrent. In fact, Moscow has explicitly outlined in its Defense White Papers its willingness to use nuclear weapons against an existential non-nuclear threat, such as invading armies.

As the European Phased Adaptive Approach is presently constituted, NATO is correct that it is far too limited to pose a significant threat to Russia’s strategic nuclear arsenal. From Russia’s point of view, though, U.S. investment in ballistic missile technology poses a serious long-term threat. To fully comprehend Russia’s concern, ballistic missile development has to be conceptualized in conjunction with other technological developments. In the future, for instance, Russia fears that the United States could field a deadly first-strike capability, in part oriented around hypersonic missiles. Specifically, an increasingly precise U.S. nuclear arsenal coupled with a reliable anti-ballistic missile network could enable Washington to launch a decapitation strike, which would severely damage Russia’s leadership structure and its nuclear arsenal in a first strike. It would also leave the United States able to intercept and destroy the surviving missiles that Moscow would launch in retaliation.

These fears are driving protests in Russia as well as Moscow’s defense spending. Despite its considerable nuclear arsenal, Russia continues to prioritize its strategic missile force. Last year, the Russians tested eight intercontinental ballistic missiles (ICBMs), and in January, Russian officials announced plans to test 16 ICBMs in 2016, 14 of which will be entering service in Russia. On the testing schedule are the recently introduced Bulava submarine-launched ballistic missiles, which had considerable development problems, and other land-based ICBMs, such as the new SS-X-30 Sarmat. Moscow is counting on these missiles as well as new deployment tactics to ensure its nuclear arsenal can survive the U.S. anti-ballistic missile network.

Still, the United States and Russia have a joint desire to reach an understanding. Their negotiations over Syria imply as much. But given the high level of mistrust between the United States and some of its key NATO allies on one hand and Russia on the other, both Moscow and Washington will continue to invest security against the other. Given the high-tech missiles, anti-missile developments and the deployment of troops by both sides, the little Cold War, as it has been called, should be viewed with a long-term perspective, because it is unlikely to end any time soon.

(‘The U.S. and Russia Plan for Conflict’ is republished with permission of Stratfor)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

The state of Dutch defence: NATO view

NATO DEFENCE PLANNING CAPABILITY REVIEW 2015/16
THE NETHERLANDS
DRAFT OVERVIEW

1. There have been no changes to the core tasks of the Netherlands Armed Forces since the last Capability Review. The 2013 White Paper identified the need for high-quality armed forces able to face a diverse range of threats, and to conduct all types of operations, both at home and abroad, albeit recognising that participation in missions may be of more limited duration than previously. The White Paper placed a strong focus on innovation and new investments such as the F-35 combat aircraft and the accelerated formation of a Cyber Command. The Netherlands intends to maintain its military specialised capabilities, which will mitigate capability shortfalls within NATO and the EU. These include the Patriot ground based air defence units, the submarine service, and the German-Netherlands Corps Headquarters. The Ministry of Defence will continue to have a significant role in national security and up to a third of the armed forces can be deployed in country.

2. In response to the global financial crisis the Netherlands reduced its annual government expenditure by € 18,000 million, including € 635 million on defence during the period 2011-2015. These cuts notwithstanding, extra funding for defence was agreed in November 2013 in the form of a set of supplements. Further budget supplements in summer 2014 funded an increase military striking power and capabilities: the retention of the new joint support ship and one infantry battalion; the provision of extra Bushmaster armoured vehicles, cyber defence, intelligence, surveillance, target acquisition and reconnaissance capabilities, munitions stocks, and spare parts. In 2015, defence expenditures amounted to 1.16% of GDP, in real terms and the Government decided to stop the declining trend in defence expenditures and to better meet the Defence Investment Pledge. In 2016, a further three annual budget supplements covered counter terrorism, enhancement of readiness and responsiveness, and an increase in the initial crisis response operations fund. The initial budget supplements were to mitigate some, but not all, of the second and third order effects of the 2013 White Paper, where arguably it had cut too deep. The subsequent budget supplements were to meet the requirements of the Wales Summit and the new security environment, including anti-terrorism measures. Although welcome, the multiple budget supplements complicate coherent planning. An increased and predictable defence budget is a prerequisite to achieve value-for-money in the modernisation and renewal of the Netherlands Armed Forces.

3. Discussions on a further increase of the defence budget are expected to take into account the improvement of the Netherlands economy, the international security situation, and other policy priorities. The multiple budget supplements to date have halted the overall reduction in defence expenditures, in real terms, the first step, in a multi-year process, to meet the Defence Investment Pledge. However, the forecast defence expenditures out to the end of the decade will remain less than those in 2011, in real terms. Worryingly, the Netherlands’ defence expenditures expressed as a percentage of GDP will continue to decrease and are predicted to fall to 1.08%, in 2020, which is well below the NATO guideline of 2%. However, the percentage of defence expenditures spent on major equipment, and research and development will rise, on average, to just below the NATO guideline of 20%, in real terms, by the end of the decade.

4. The long terms plans of the services are: for the navy to invest in an anti ballistic missile capability, new frigates, and submarines; for the army to engage in a long term plan to invest in soldier equipment, communications and information systems; for the air force to focus on innovation and education, to introduce the F-35 combat aircraft (approved and funded), and to implement the Chinook (approved and funded) and Apache helicopter upgrades, to invest in the multi-role tanker transport, and to procure medium altitude long endurance unmanned systems. Funding uncertainty hampers prioritisation and has the potential to create a significant bow wave of procurement costs.

5. The Ministry of Defence is still implementing the structural manpower reductions imposed on defence in 2011 by the Rutte administration. Military manpower has been shed almost as quickly as anticipated (down to 40,780 at the end of 2015, against the planned strength of 42,000). However, the Netherlands now plans to increase its military manpower strength in shortage categories and needed specialisations concurrently with the Rutte administration manpower reductions. The overall increase, to be implemented by 2020, will be of the order of 1,000 personnel. To date 3,550 personnel have been made compulsorily redundant. The numbers of flag and general officers have been proportionally reduced.

6. During 2014, the Netherlands maintained some 5.8% (about 1,000 personnel) of its land forces and SOF on operations and during 2015, some 7% (about 1,200 personnel). Land forces and SOF have made contributions to NATO-led ISAF, KFOR, the Resolute Support Mission, EU-led and UN-led operations. The largest current deployment of land forces and SOF (some 396 personnel) is in support of UN-led mission MINUSMA in Mali. The Netherlands has continued to provide significant land forces contributions to the NRF. The contribution to maritime operations in the Indian Ocean was less than previously. The contribution to the standing naval forces is now increasing but will remain below the requirement in the near future. The air force’s contribution to international operations and to the NRF is consistent with its size. The introduction of the F-35 will lead to a reduction in the level of ambition in terms of aerospace capabilities, especially for short-duration operations.

7. The army and marines continue to provide well equipped, capable and sustainable forces. However, the quality of land forces can no longer make up for a lack of quantity. Budget cuts have resulted in significant downsizing of the Netherlands’ land forces accompanied by reductions in combat capabilities, indirect fire support, ground-based air defence, engineering, maintenance, logistics, and operational stocks of ammunition. Furthermore, the armoured capability of two, previously mechanised brigades, has been removed altogether, rendering a remaining mechanised brigade and a new motorised (light) brigade (both having only two manoeuvre battalions) unable to fight effectively a high intensity battle with an opponent using mechanised forces. Additionally, the normal brigade-level training cycle including combined arms brigade-level exercises and live firing, will not resume until 2017. The Netherlands will not be able to provide all the land contributions sought, therefore potentially increasing the burden on other Allies. The highest priority for the Netherlands is to increase the readiness and combat effectiveness of its land forces, with a priority to the mechanised brigade.

8. The Netherlands’ SOF are very capable and have a well-balanced structure. However, not all requested contributions are planned to be provided, potentially increasing the burden on other Allies. Nevertheless, SOF capabilities that could be provided are of good quality and robust. The C2 of the Netherlands’ SOF at the joint level is not optimal and could be improved. Planned empowerment of the Joint Special Operations Office could ensure that SOF work in a more joint and coordinated manner, achieve a better budgetary efficiency, and also produce more capabilities that could be provided to NATO.

9. The current maritime capabilities cover a wide spectrum of NATO maritime operations and meet the NATO requirements with some minor shortfalls. The new NH 90 helicopters will enhance the ASW and anti surface warfare capabilities. The upgrade of the air defence and command frigates with a ballistic missile detection capability will enhance the contribution of the Netherlands to NATO theatre ballistic missile defence. However, persistent challenges in human resources have prevented some ships performing their full range of roles and capabilities. Maintenance difficulties are expected to be alleviated with the funding of extra resources. The replacement of the submarines by around 2025 has been identified and acknowledged by the Government. There will be also a need to replace the M-class frigates and the mine warfare capability in the same time frame. As most of the Allies’ mine countermeasures capabilities will reach their end of life in the next decade, the Netherlands is also encouraged to develop its future mine countermeasures capability in cooperation with other Allies.

10. The Netherlands has a fully capable air force equipped with a wide range of advanced capabilities that mostly meet all NATO’s requirements. Its evolution is supported by a number of modernisation and acquisition projects, some of which have been affected or delayed by budgetary restrictions. Although the air combat capability should be improved with the introduction of the F-35 combat aircraft, it will rely on a significantly reduced number of platforms than at present. Thorough planning and management will be essential to mitigate potential capability shortfalls during the transition to the new aircraft. Although delayed, the acquisition of medium altitude long endurance unmanned platforms will offer a modern, network-based, JISR capability while the multi role tanker transport programme should provide the Netherlands with a reinforced air to air refuelling and strategic airlift capability. Particular attention should be paid to the level of training, which has been affected by financial constraints. The Netherlands should consider the acquisition of sufficient deployable airbase activation modules to avoid reliance on other Allies.

11. The Netherlands meets all the strategic lift capability requirements by a combination of military assets, multinational arrangements, and assured and spot contracts. Currently, it is able to provide sufficient logistics support to its national deployed units. However, theatre level enabling capabilities will not be provided if all requested brigades are deployed concurrently. The Netherlands plans to use contracted services to optimise logistics support in theatre, and to mitigate logistic shortfalls. The Netherlands continues to maintain its medical capabilities despite a reduction in medical manning. It is aware of potential difficulties in the recruitment and retention of medical specialists and is working on mitigation. The Netherlands ensures NATO interoperability of its static and deployable networks and supports the Federated Mission Networking initiative. The Netherlands has developed a comprehensive national and defence cyber defence capability. It intends to build an offensive cyber capability within the armed forces. The Netherlands has sufficient strategic and operational intelligence capability to support to two separate concurrent operations.

12. In sum, although the Netherlands Armed Forces will continue to provide many of the capabilities necessary to participate in the full range of NATO missions, their capacity to do so, and their ability to sustain any commitment, will be reduced. Despite the best efforts of the Netherlands Armed Forces, the ability to conduct full spectrum operations is now in doubt as the armed forces are spread so thinly. Notwithstanding the sustained financial recovery, the Netherlands is not yet rebuilding coherent defence capabilities that can contribute fully to NATO’s collective aims and objectives. Configuring the Netherlands Armed Forces to meet the significant challenges of the new security environment, with its increased demands on readiness, responsiveness, and resilience, without sustained, predictable increases in defence expenditures in real terms, will be an almost impossible task.

13. In light of the new security environment, the Netherlands can expect the Alliance not necessarily to seek more of its armed forces and capabilities overall, but it can expect the Alliance to ask for more of its armed forces it does seek at a much higher readiness than is currently the case and that those forces are capable of conducting and sustaining themselves in high-intensity operations. This implies proper manning, equipment, and training (including at brigade level) as well as all the requisite stocks, ammunition and spares for those designated forces/units. This also implies that combat support and combat service support must be sufficient for the task.

(Source)

Geplaatst in Defensie, NAVO | Tags: | Een reactie plaatsen