Kamerbrief: Reactie op het bericht dat het leger informatie verzamelt over de Nederlandse samenleving

Ministerie van Defensie

27 november 2020

Hierbij reageer ik op het verzoek van de Tweede Kamer om een brief over het NRC-artikel van 15 november ‘Leger verzamelde data in Nederland’. Dit artikel gaat in op de activiteiten van het experimentele Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) van de Koninklijke landmacht. Deze brief betreft een eerste reactie hierop hangende de uitkomsten van het onafhankelijke onderzoek hiernaar door de Functionaris voor Gegevensbescherming Defensie. Als het onderzoek gereed is, stuur ik deze met mijn reactie naar de Tweede Kamer. In afwachting van de uitkomsten hiervan heb ik besloten om de activiteiten van het LIMC voor wat betreft het verzamelen en analyseren van informatie stil te zetten. 

Het LIMC
De informatie-omgeving is volop in ontwikkeling met grote gevolgen voor de omgeving waarin de krijgsmacht opereert en voor het opereren van de krijgsmacht zelf. De Defensievisie-2035 die het kabinet u op 15 oktober toestuurde, gaat hier uitgebreid op in. De visie stelt verder dat een van de drie eigenschappen van de krijgsmacht is dat deze naast technologisch hoogwaardig en een betrouwbare partner en beschermer, ook informatiegestuurd moet zijn. Het gaat hierbij om moderne IT die nodig is om vooral voor de eerste en tweede hoofdtaak van Defensie grote hoeveelheden informatie te verzamelen en snel te verwerken, zodat de commandant tijdig betrouwbare informatie ontvangt. Dit is cruciaal voor elke militaire operatie, voor de bescherming van de eigen mensen en voor de bescherming van de bevolking in de omgeving waarin de krijgsmacht opereert.

Dit kan onder andere volgens het principe van Concept Development & Experimentation (CD&E) dat ook door de NAVO wordt gezien als instrument voor capaciteitenontwikkeling. Dit is een iteratief proces van passen en meten, vallen en opstaan en voortdurend herhalen van dit proces. Volgens deze methode wordt regelmatig tussentijds geëvalueerd. Naleving van wet- en regelgeving is hierbij altijd het uitgangspunt. Met het oog op de gewenste doorontwikkeling op het gebied van informatiegestuurd opereren heeft Defensie in maart een experimentele eenheid opgericht die het CD&E traject volgt, het LIMC. Behalve voor de eerste en tweede hoofdtaak zou het experimentele LIMC in voorkomend geval ook activiteiten onder en ten behoeve van het civiele gezag kunnen uitvoeren.

Het juridisch kader en onafhankelijk onderzoek
Sinds de oprichting van het LIMC is er door de civiele autoriteiten geen verzoek tot bijstand gedaan. Daarmee gelden voor de omgang met persoonsgegevens voor het LIMC de reguliere kaders die volgen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en niet bijvoorbeeld de Wet politiegegevens (Wpg) in geval van bijstand aan de politie. De krijgsmacht heeft geen algemene wettelijke taak en bevoegdheid om persoonsgegevens uit open bronnen te verzamelen zoals politie, justitie en de MIVD en de AIVD onder bepaalde voorwaarden wel hebben. Het gebruik van open bronnen voor de taakuitoefening waarbij geen persoonsgegevens worden verwerkt, is overigens wel toegestaan.

Naar aanleiding van het desbetreffende NRC-artikel doet de Functionaris voor Gegevensbescherming Defensie een eigenstandig onderzoek naar de naleving van de AVG bij het LIMC. De Functionaris Gegevensbescherming is de wettelijke, onafhankelijke, interne toezichthouder van Defensie op het gebied van gegevensbescherming. Zij zal de resultaten van haar onderzoek en de aanbevelingen vastleggen in een rapport. Het streven van de Functionaris Gegevensbescherming is erop gericht het rapport begin 2021 aan mij aan te bieden. Vervolgens zal ik dit met mijn appreciatie naar de Tweede Kamer sturen.

De beantwoording van de ingezonden vragen van 24 november 2020 van de leden Belhaj (D66) en Karabulut (SP) over LIMC, JISTARC en andere inlichtingenwerkzaamheden door de krijgsmacht vergt meer tijd en deze antwoorden worden op een later moment verstuurd.

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten

1 Het verzoek van het lid Van Weyenberg (D’66) in het ordedebat van 17 november, Kenmerk 2020Z21843.

2 Defensievisie-2035, 15 oktober 2020, Kamerstuk 34919-71.

3 Staatscourant, nr. 28291, 22 mei 2018.

4 Kenmerk 2020Z22579.

Bron: tweedekamer.nl

Zie ook: ‘Land Information Manoeuvre Centre helpt Defensie anticiperen‘,
Ministerie van Defensie, 16 november 2020.

En: Functionaris Gegevensbescherming Defensie onderzoekt werkwijze LIMC,
Ministerie van Defensie, 19 november 2020.

Geplaatst in Defensie, Intelligence | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

De BVD had drie ‘pro-Chinese’ mantelorganisaties

(Artikel uit 2004, teruggevonden in de ‘Wayback Machine’)

DOOR REDACTEUR VREDE & VEILIGHEID HANS DE VREIJ

09-12-2004

De voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst had van eind jaren zestig tot diep in de jaren ’80 niet één maar drie mantelorganisaties gericht tegen communistisch China. Dat waren naast de Marxistisch-Leninistische Partij Nederland ook de Stichting Nederland-Albanië en de Stichting Nederland-Kampuchea (Cambodja). Sleutelfiguur in al die organisaties was een agent van de BVD die onder de schuilnaam Chris Petersen door het leven ging.

Een en ander is tegenover de Wereldomroep onthuld door de nu 61-jarige Paul Wartena die als overtuigd Maoïst twaalf jaar lang actief lid was van de verschillende organisaties, zonder ooit te hebben geweten dat de BVD deze had opgericht om samen met de Amerikaanse CIA meer inzicht te krijgen in de Chinese invloeden in West-Europa. Wartena bezocht samen met BVD-er ‘Chris Petersen’ onder meer China en het toen pro-Chinese Albanië als officiële afgevaardigden van de MLPN. Dat de BVD achter die partij zat werd afgelopen september al onthuld door oud-medewerker Frits Hoekstra.

Bekeerling
Veel deed de partij niet, zegt Wartena in een gesprek met de Wereldomroep. “Een keer per week of per maand vergaderen, af en toe pamfletten verspreiden”, zegt Wartena. Naar hij zelf zegt is hij er pas veel later achter gekomen dat de partij ook maar zeer weinig echte leden had: vijf tot tien. De rest van de MLPN bestond uit agenten en ambtenaren van de BVD, die bijvoorbeeld in eigen huis het partijblad “De Kommunist” maakten.

Dekmantel
Later maakte Wartena samen met ‘Chris Petersen’ deel uit van twee andere organisaties die in naam pro-China waren maar net als de MLPN een dekmantel waren van de Nederlandse veiligheidsdienst. “Ik werd een tijdje lang bestuurslid van de Stichting Nederland-Albanië en heb ook samen met Chris Petersen Albanië bezocht. Tijdens een 1 mei-viering stonden we samen met dictator Enver Hoxha op het podium, en ik heb ook zijn boeken uit het Engels in het Nederlands vertaald. Geen hond heeft die denk ik gelezen”.

‘Chris Petersen’ ontmoet de communistische dictator van Albanië, Enver Hoxha

In de tweede helft van de jaren ’70 richtte de BVD in de persoon van Chris Petersen een nieuwe organisatie op, de Stichting Nederland-Kampuchea (Cambodja) en ook daarvoor werd Paul Wartena actief. De stichting steunde de dictator Pol Pot, geheel in lijn met de visie van de Chinese Communistische Partij. In 1978 viel Vietnam Cambodja binnen en maakte een eind aan het bewind van Pol Pot, hoewel deze tot 1985 officieel in functie bleef. Het zou tot 1981 duren voordat de  informatie over de ‘Killing Fields’, de massamoorden ten tijde van Pol Pot, Paul Wartena deed besluiten een streep te zetten onder zijn carrière als maoïst en de politiek de rug toe te keren. “Op een gegeven moment heb ik er mee gekapt en me ook van de klassenstrijd afgekeerd”, zegt Wartena. ‘Chris Petersen’ reageerde tijdens een vergadering kwaad: “Je bent dus eigenlijk geen marxist meer!”

“Moord is niet communistisch”
Wartena heeft tegenover de Wereldomroep ook verteld over contacten tussen de maoïstische organisaties en de ‘Rode Jeugd’, die een meer gewelddadige ‘klassenstrijd’ voorstond. “Er was op een bepaald moment sprake van om bepaalde mensen te vermoorden en ik heb daar altijd heel scherp tegen verzet. Ik heb toen gezegd: ‘dat is niet communistisch, dat is fascistisch’. Deze mededeling strookt met eerdere onthullingen door oud-BVD-er Frits Hoekstra.

Ook de ‘Rode Jeugd’ was namelijk door de BVD geïnfiltreerd en op een gegeven moment leverde de dienst zelfs wapens voor een aanslag om hun eigen bron binnen die organisatie geloofwaardig te houden – maar de aanslag of aanslagen werden uiteraard wel verijdeld. Begin jaren ’80 keerde Paul Wartena zich geheel van de politiek af en begon een nieuwe fase van zijn leven.

Geschokt
In een interview met de Amerikaanse krant the Wall Street Journal heeft Peter Bouvé, de echte naam van BVD-agent ‘Chris Petersen’, Paul Wartena “een idioot” genoemd. Wartena is daar ondanks alles toch door geschokt. Petersen was tijdens de twaalf jaar onderling contact een goede vriend geworden en was zelfs spreker op zijn bruiloft. “Zoals alles destijds gelopen is, vind ik helemaal niet erg. Ik ben zelf ook van communist een anticommunist geworden. Maar dat Peter Bouvé dat nu zo zegt, dat schokt me wel een beetje, gewoon, buiten de politiek om, als mens”.

Wartena zou het verder op prijs stellen indien hij de contributie die hij twaalf jaar lang aan de ‘partij’ heeft afgestaan zou kunnen terugkrijgen. “Vrijwillig stond ik een flink deel van mijn op zich magere inkomen af”. Naar pas afgelopen september is gebleken ging dat geld dus gewoon naar de BVD”.

(Bron: Wayback Machine)

Geplaatst in Intelligence | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

‘Dutch secret service ran three pro-China organizations’

A story from 2004, retrieved by the Wayback Machine

by security and defense specialist Hans de Vreij
4 December 2004

From the late 1960s until well into the 1980s, the Dutch secret service BVD ran three cover organizations which targeted communist China. This year, a former Dutch intelligence officer revealed that the ‘Marxist-Leninist Party of the Netherlands’ (Marxistisch-Leninistische Partij Nederland) had been used as a cover for the secret service, now known as the AIVD.

It appears that two pressure groups – the Netherlands-Albania and the Netherlands-Kampuchea foundations – were also BVD covers, created in order for the Dutch intelligence service BVD and the American CIA to obtain information about China’s influence inside Western Europe. In the Netherlands this intelligence project, which remained secret for a long time, was known as ‘Operation Mongol’, while it reportedly went under the name of ‘Operation Red Herring‘ within the CIA. 

One of the few ‘genuine’ members of these three organizations has now given an interview. From 1969 to 1981, Paul Wartena (61), once a committed Maoist, played an active role in the three groups, only to discover in September of this year that the secret service had been using him all along as part of the camouflage for their activities. This discovery followed publication of the memoirs of former BVD staffer Frits Hoekstra, who made the first disclosures about ‘Operation Mongol’. 

In the interview he gave to Radio Netherlands Paul Wartena explained how, as a young man, he joined the Communist Party of the Netherlands (CPN), then began to develop more sympathy for the Chinese version of communism after the famous ideological split between Moscow and Beijing. He eventually laid eyes on his first copy of ‘The Communist’, a newspaper published by the Marxist-Leninist Party of the Netherlands. What he didn’t know was that this paper was written and published by the BVD secret service. He wrote a letter asking to join the organization, and subsequently met the ‘secretary-general’ of the MLPN, a man who called himself Chris Petersen, but who was in fact Peter Bouvé, a BVD operative. 

Paul Wartena joined one of the party’s ‘cells’, and – as he says himself – became one of the MLPN’s most fanatical activists. Not once once did he suspect nor notice any involvement by the secret service, and only now has he discovered that the ‘party’ never had more than between five and ten real members. The remainder of the MLPN was made up of intelligence officers and operatives working for the BVD. 

Speaking to Radio Netherlands, Mr Wartena said the party never actually did very much. According to him, party meetings were held on either a weekly or monthly basis, and occasionally they would distribute leaflets. However, on one occasion in 1974 he and fellow ‘party member’ Chris Petersen did pay an official visit to Beijing. Later on, he and ‘Petersen’ both joined two other organizations with a pro-China line; both of them actually BVD cover operations. “I was on the board of the Netherlands-Albania foundation for a while, and I visited Albania together with Chris Petersen. We stood on the same podium as dictator Enver Hoxha at the country’s May Day celebrations, and I also translated his books from English to Dutch. I don’t think anybody ever read them.” 

Murder is not part of communism’
Mr Wartena also told Radio Netherlands about the contacts between the Maoist organisations and the radical Marxist ‘Red Youth’ movement, which was pushing the idea of a more violent ‘class war’ in the Netherlands. “There was even talk of murdering certain individuals in the Netherlands, and I always strongly opposed that. I was always against violence, and I even said at the time that it wasn’t Communist, it was Fascist.” 

His version of events is backed up by earlier revelations by former BVD staffer Frits Hoekstra, who said the ‘Red Youth’ had also been infiltrated by the BVD. At one point, the intelligence service even supplied the group with weapons for an attack in order to maintain the credibility of its own ‘plant’ inside the movement. Of course, the attack – or attacks – never materialized. 

‘Chris Petersen’ (the cover name of Peter Bouvé) meets Albanian communist dictator Enver Hoxha

In the second half of the 1970s, the BVD used ‘Chris Petersen’ to set up a new organization, the ‘Netherlands-Kampuchea foundation’, in which Paul Wartena also was to play an active part. This group toed the Chinese Communist Party line in backing Cambodia’s then dictator Pol Pot. In late 1978, Vietnamese troops invaded ‘Democratic Kampuchea’ and ended the Pol Pot regime, although Pol Pot himself did not officially give up his position until 1985. In 1981, the many reports about the ‘Killing Fields’, the mass murders committed by the Pol Pot regime, caused Paul Wartena to end his membership of the foundation: “I was principally opposed to violence and, after all the reports about the mass murders, I quit, completely turning my back on politics.” 

Paul Wartena began to study religion and psychology, became an assistant at the University of Utrecht, and currently gives lectures on subjects such as the future of religion and the relationship between culture and how people experience happiness. 

Shocked 
In a recent interview with the Wall Street Journal, former BVD member Peter Bouvé described Paul Wartena as ‘an idiot’. Despite all the other revelations, Paul Wartena – a mild-mannered man with a remarkable political past – is still quite shocked by that description. During the 12 years which they were in contact, Mr Petersen became a good friend, and he even spoke at Wartena’s wedding. “I am not bothered at all about the way things went back then. Even I went from being a Communist to being an anti-Communist. But the fact that Peter Bouvé has said that now, that simply shocks me as a human being.” 

Paul Wartena would like to get back the money he contributed to the ‘party’ over a period of twelve years. “I gave a considerable part of my meagre income to the party”. In September of this year it became clear that this money went straight to the Dutch secret service. Not only that, but his contribution was a mere drop in the ocean compared to the amounts which the authorities in China and Albania gave to ‘Marxist-Leninist Party of the Netherlands’ – whereby the two Communist nations were unwittingly subsidizing one of the West’s most successful intelligence campaigns, of which they were the main targets.

(First published by Radio Netherlands, 4 December 2004)

Geplaatst in Intelligence | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

NCTV: Rechts- en links-extremisme ten tijde van COVID-19

(Passages uit het ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53’ d.d. 15-10-2020. Volledige tekst van het Dreigingsbeeld: zie link op deze pagina.)

De uitbraak van COVID-19 en de genomen overheidsmaatregelen hebben niet geleid tot een verhoogde dreiging van rechts- en links-extremisme in Nederland. De maatregelen hebben logischerwijs gezorgd voor een tijdelijke stilstand van fysieke activiteiten bij activistische en extremistische bewegingen. Maar ook bij demonstraties tegen de maatregelen speelden links- en rechtsextremistische groeperingen een marginale rol.

Dit bevestigt al de langer bestaande fragmentatie, persoonlijke animositeit, lage organisatiegraad en het gebrek aan leiderschap bij zowel extreemrechtse als –linkse groepen. Online koppelden groepen en personen aan beide kanten de ontwikkelingen rond COVID19 aan hun eigen thema’s, om hun gedachtegoed te propaganderen en om te bepleiten dat de crisis het falen van het huidige politieke systeem blootlegt. Dit doen ze bijvoorbeeld door de pandemie te koppelen aan immigratie, globalisering, wereldwijde ongelijkheid of het plaatsen van economische belangen boven mensenlevens. Ondanks de verwachting dat de beperkende maatregelen radicalisering in de hand zou kunnen werken, omdat mensen meer tijd online doorbrengen dan voorheen, was vanuit de gekende ideologieën in Nederland weinig online reuring te zien. Wel kan er door de langetermijngevolgen van COVID-19 mogelijk meer ruimte ontstaan voor radicale standpunten (zie hoofdstuk 2).

Evenals voor de uitbraak van COVID-19 is er een toename van personen die, mede gevoed door extreemrechtse ideeën, online dreigen met geweld. Hoewel de ernst en vooral de waarschijnlijkheid van de dreiging niet in alle gevallen heel groot lijkt, blijft dit een punt van aandacht. Het risico dat rechts-extremistische eenlingen of kleine groepen naar geweld grijpen wordt groter geacht dan in het verleden. Daarnaast hebben extreemrechtse groepen en individuen geprobeerd aan te haken op online circulerende complottheorieën of antilockdown-sentimenten, om de eigen agenda te dienen. Het is exemplarisch dat ze tijdens de anti-lockdown-demonstraties slechts beperkt aanwezig en niet richtinggevend waren, terwijl juist andere groepen zich hebben laten zien (zie paragraaf ‘Polarisatie’)

Verschillende gezichten achter anti-lockdown-demonstraties

Sinds de uitbraak van COVID-19 heeft maatschappelijk ongenoegen zich zowel online als offline verder gemanifesteerd, waarbij sociale media een faciliterende en mobiliserende rol spelen. Een deel van de verschillende groepen en individuen vindt elkaar in het afwijzen van de overheid of het overheidsbeleid. Dit gebeurt niet zozeer uit ideologische motieven, maar vanwege gevoelens van onrechtvaardigheid, groot onbehagen of een andere werkelijkheidsbeleving. Mensen die de overheid, wetenschap en traditionele media al langer wantrouwen kunnen hun denkbeelden bovendien bevestigd zien in complottheorieën, misinformatie en desinformatie; sinds de uitbraak van COVID19 verspreiden complottheorieën zich sneller van de marges van het internet naar mainstreamkanalen. Er is een (online) context ontstaan waarbinnen de drempel om tot extremistische gedragingen te komen wordt verlaagd. Deze context versterkt polarisatie en leidt in een enkel geval tot verharding, intimidatie of (oproepen tot) geweld (zie paragraaf ‘Brandstichtingen bij telecommasten’). Zo is begin juli een man aangehouden die zich beweegt binnen het online milieu van anti-overheid- dan wel complotdenkers. Hij is voorman van een online-groep met 12,500 volgers op Facebook, en actief in verschillende Telegramgroepen. Zijn uitlatingen dienen in het licht te worden gezien van de maatregelen tegen COVID-19, aangezien de man sprak over ‘burgerarresten’ op volksvertegenwoordigers en RIVM-medewerkers. Wel bestaat er een grote discrepantie tussen digitale uitingen van ongenoegen en de omvang van protesten in de fysieke ruimte.

Offline komen verschillende groepen samen in anti-lockdownprotesten, die betreft omvang en ongeregeldheden geenszins in vergelijking staan met protesten in bijvoorbeeld Duitsland maar wel kunnen leiden tot (gewelddadige) verstoringen van de openbare orde. De demonstraties brengen deelnemers op de been vanuit een breed scala aan onderwerpen, zoals het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen COVID-19, de in hun ogen ontwrichtende gevolgen van de maatregelen voor families, zzp-ers en ouderen en complotdenken. Soms werden de demonstraties misbruikt door met name een coalitie van normaliter rivaliserende voetbalhooligans, die gezamenlijk de gewelddadige confrontatie met politie zochten – deze coalitie demonstreerde overigens ook bij standbeelden als reactie op antiracismedemonstraties in Nederland. Behalve de relatief brede, gemêleerde activistische bovenlaag bestaat er een radicale onderstroom met extremistische gedragingen, zoals het belagen van politici en journalisten, het intimideren van politiemensen of de online publicatie van doxing-lijsten vanuit online anti-overheidsinitiatieven met daarop persoonsgegevens van politie en politici.

groepen boze burgers zoeken ook aansluiting bij bijvoorbeeld de aanhoudende boerenprotesten. In tegenstelling tot de grootschalige boerenprotesten vorig jaar wordt het boerenprotest meer kleinschalig en grimmig. Bij een gedeelte van de boeren is sprake van een zekere verharding, bijvoorbeeld door het uiten van dreigementen richting politici, journalisten en andersdenkende medeboeren. Aansluiting van verschillende groepen met verschillende grieven, verbonden door anti-overheidsdenken, kan verharding in de hand werken. Zo doneert de ultraconservatieve uitgeverij De Blauwe Tijger een doorgeefluik van anti-overheidspropaganda, nepnieuws en complottheorieën, geld aan een boerenactiegroep. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

Update marinemissie bij de Straat van Hormuz

Het marinefregat Zr. Ms. De Ruyter vertrekt op dinsdag 28 januari naar de Golfregio om deel te nemen aan EMASOH, een door Frankrijk geleide maritime awareness-missie in en bij de Straat van Hormuz. Zie ook deze pagina en de Artikel 100-brief. Onderstaand enkele updates van het kabinet op de eerdere mededelingen aan de Tweede Kamer.

(Passages uit een Kamerbrief d.d. 24 januari 2020)

(…)

Mandaat en optreden

In het algemeen overleg over de Nederlandse bijdrage aan EMASOH waren er vanuit uw Kamer veel vragen over de mogelijkheden voor het schip om, indien nodig, op te kunnen treden. Het kabinet wil nog eens benadrukken dat het oogmerk van de inzet is om escalatie te voorkomen. Preventie van incidenten en de-escalatie van spanningen zijn hierbij de uitgangspunten. Het oogmerk en de uitgangspunten van de missie zijn ten behoeve van het operationele niveau vertaald naar een gezamenlijke set van Rules of Engagement (ROE’s). De door Frankrijk voorziene set ROE’s sluit aan bij de set die Nederland voor deze inzet voorziet. 

Ten aanzien van het optreden is er een onderscheid tussen het optreden in territoriale wateren en internationale wateren. In territoriale wateren geldt het recht op onschuldige doorvaart en indien nodig het recht op zelfverdediging. Het fregat zal zich echter alleen in territoriale wateren bevinden bij doortocht door de Straat van Hormuz (de Straat bestaat uit de territoriale wateren van Iran en Oman). Voor het optreden in internationale wateren geldt dat het fregat schepen te hulp kan schieten indien deze door niet-statelijke actoren worden geboard of er geweld tegen hen wordt gebruikt. Indien een schip wordt aangevallen door een statelijke actor mag het fregat enkel optreden wanneer het fregat zich in de nabijheid bevindt en op tijd tussenbeide gekomen kan worden. Het fregat mag niet optreden tegen boarden van commerciële schepen door een statelijke actor, aangezien dit niet geldt als een aanval.

Medische Evacuatie

Uw Kamer heeft gevraagd om toe te lichten hoe de medische zorg voor de bemanning van het schip geregeld is. Bij het inrichten van de medische keten bij landoperaties is het 10-1-2 principe het uitgangspunt. Dit principe is echter bij maritieme operaties gezien de geografische factoren niet altijd uitvoerbaar. Daarom wordt bij maritieme operaties gestreefd naar een keten die zo dicht mogelijk bij het 10-1-2- principe aansluit. De eerste opvang aan boord is afgedekt door de Medische Actiedienst (MAD) bestaande uit een Algemeen Militair Verpleegkundige en de scheepsarts. Voor de 2e lijns-zorg zal worden teruggevallen op het centraal in het operatiegebied gelegen ziekenhuis “Zayed Military Hospital” in Abu Dhabi. De toegang tot het ziekenhuis is geregeld via het hoofdkwartier te Abu Dhabi. De Franse Senior Medical Officer zal als liaison functioneren. De in het hoofdkwartier geplaatste stafofficieren zijn welkom bij de Franse Role 1. 

De bereikbaarheid van het hospitaal is onder meer afhankelijk van de te overbruggen afstand en de weersomstandigheden alsmede de beschikbaarheid van de boordhelikopter. Eventueel kan worden teruggevallen op dichtstbijzijnde hospitalen aan de wal. Indien de boordhelikopter door de weersomstandigheden of andere reden niet kan worden ingezet wordt de medische afvoer geregeld via de internationale Rescue Coördinaten Centres in de verschillende landen.  

Luchtsteun 

Ten aanzien van de vraag of in geval van nood in luchtsteun kan worden voorzien benadrukt het Kabinet dat de missie gericht is op de-escalatie en de dreiging voor het schip en de bemanning als laag wordt ingeschat. De Zr. Ms. De Ruyter, een luchtverdedigings- en commandofregat, beschikt over voldoende capaciteiten om een eventuele dreiging bijtijds te onderkennen en zichzelf daartegen te verdedigen. Voor het onwaarschijnlijke scenario dat luchtsteun benodigd is, zijn met de Franse partner afspraken gemaakt over de procedure voor het aanvragen van luchtsteun van in de regio gestationeerde Franse vliegtuigen. 

 Tolken 

Voor de EMASOH-missie zal er gebruik worden gemaakt van tolken die Arabisch en Farsi beheersen. Deze worden gestationeerd aan boord van Zr. Ms. De Ruyter.

Vragen vaste Kamercommissie Defensie 

De vaste commissie voor Defensie verzocht de minister van Defensie op 20 januari om een brief waarin waarin tevens wordt ingegaan op eventuele technische problemen van Zr. Ms. De Ruyter en de inzet van het Franse vliegdekschip Charles de Gaulle. De vragen omtrent het besluit tot deelname aan de missie en het mandaat zijn reeds in het voorgaande beantwoord. 

Gereedheid de Ruyter

Zr. Ms. De Ruyter is missie-gereed. Tijdens reguliere inspecties is slijtage geconstateerd in een van de tandwielkasten. De Commandant  Zeestrijdkrachten heeft mitigerende maatregelen genomen door het uitvoeren van een tijdelijke reparatie en het preventief invoeren van een vaartrestrictie van enkele knopen voor de maximale vaarsnelheid voor normaal gebruik. Deze vaartrestrictie levert geen operationele beperkingen op en heeft geen gevolgen voor de duur van de heen- en terugreis. Voor operationele omstandigheden kan het schip beschikken over de maximale vaarsnelheid. Vervanging van de tandwielkast duurt 20 tot 24 weken en vindt plaats tijdens het benoemd onderhoud na de missie.

(…)

 

Zr. Ms. De Ruyter

LCF-fregat Zr. Ms. de Ruyter

Geplaatst in marine, Militaire missies Nederland | Tags: , , | 1 reactie

Kamervragen (+ antwoorden kabinet) over de marinemissie bij de Straat van Hormuz

Selectie uit de 214 vragen die leden van de Tweede Kamer stelden over de artikel 100-brief van het kabinet over de voorgenomen mariniemissie in en bij de Straat van Hormuz. Voor de volledige lijst van vragen en antwoorden: klik hier.

Wat voegt de missie onder Franse leiding toe aan de militaire operatie van de VS die reeds in het gebied operationeel is?

De Nederlandse inzet geschiedt complementair aan de reeds bestaande militaire aanwezigheid ter bevordering van de maritieme veiligheid in de Golfregio. Het kabinet heeft daarbij bewust gekozen voor inzet via EMASOH, aangezien deze missie een brede strategie omvat met inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor. Hiermee zet  EMASOH in op preventie en de-escalatie en sluit daarmee aan op de uitgangspunten van het kabinet. Daarnaast wordt met het Europees geleide initiatief het belang dat Europa hecht aan de vrije doorvaart onderstreept. Het International Maritime Security Construct (IMSC) zet alleen in op een militair spoor.

Biedt het mandaat ruimte aan de deelnemende schepen om zelf ook actief in te grijpen in geval een koopvaardijschip of olietanker aangevallen wordt?

Als koopvaardijschepen worden aangevallen of geënterd door niet-statelijke actoren, mag het fregat te hulp komen als die hulp wordt ingeroepen. In dergelijke gevallen wordt aangenomen dat sprake is van piraterij. Onder het te hulp komen valt ook het eventueel bevrijden van het koopvaardijschip. Als koopvaardijschepen worden geënterd door statelijke actoren, mag niet worden ingegrepen. Het is op dat moment immers niet ter plaatse vast te stellen of de actie van de statelijke actor rechtmatig is en het oplossen van de situatie langs diplomatieke weg ligt in dergelijke gevallen voor de hand. Als koopvaardijschepen het slachtoffer (dreigen te) worden van geweldgebruik door statelijke actoren is het te hulp komen van het koopvaardijschip, gelet op de afstanden, alleen mogelijk als het fregat ter plaatse is.

Erkent Iran het operatiegebied de jure én de facto als internationale wateren?

Iran claimt territoriale wateren tot 12 zeemijl vanaf de kust en een aansluitende zone tot 24 zeemijl vanaf de kust. Iran is geen partij bij het VN-Zeerechtverdrag en erkent niet het gewoonterechtelijk karakter van het recht op doortocht zoals neergelegd in het VN-Zeerechtverdrag. Iran neemt het standpunt in dat, ten behoeve van waarborging van zijn veiligheidsbelangen, van vreemde oorlogsschepen die toegang tot zijn territoriale zee willen voorafgaande toestemming kan worden geëist. Betwijfeld wordt of de basislijnen zoals door Iran aangegeven op alle punten overeenkomen met de voorwaarden zoals neergelegd in het VN-Zeerechtverdrag. Daarnaast is niet geheel duidelijk welke rechten Iran in de aansluitende zone claimt en in hoeverre die afwijken van het VN-Zeerechtverdrag

Wat zijn de instructies voor EMASOH wanneer IMSC onverhoopt in een conflictsituatie betrokken raakt?

Dit is momenteel onderwerp van overleg tussen Frankrijk en de Verenigde Staten. Afspraken hierover worden voor aankomst in het operatiegebied afgerond.

Welke andere landen heeft Frankrijk benaderd om deel te nemen aan EMASOH?

Frankrijk heeft 12 Europese landen benaderd om deel te nemen aan EMASOH. Denemarken en Duitsland hebben zich hierover publiekelijk uitgesproken; de andere benaderde landen (nog) niet.

Hoe en door wie zal worden besloten om het Nederlandse fregat in te zetten voor escortes van koopvaardijschepen?

Het is op dit moment niet voorzien om het fregat in te zetten voor escortes van Nederlands gevlagde schepen. Escorteren valt, gezien het de-escalerende karakter van de missie, buiten het mandaat van EMASOH. Van escorte gaat een sterk politiek signaal uit. Deelnemende landen zouden, indien wenselijk en binnen de kaders van het zeerecht, onder nationaal bevel kunnen escorteren. Mochten ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, beziet het kabinet aldus in hoeverre escorte wenselijk is.

Is er zicht op hoeveel Nederlandse commerciële scheepsbewegingen per jaar plaatsvinden in de Golfregio?

Wekelijks varen er gemiddeld circa 10 Nederlands gevlagde schepen door de Golf van Oman en Straat van Hormuz. Daarnaast is er doorlopend een variërend aantal Nederlandse schepen dat in de regio langdurige werkzaamheden verricht. Het gaat hierbij gemiddeld om circa 10-30 schepen.

Heeft de regering contact met reders, baggeraars en andere Nederlandse bedrijven die actief zijn in de regio, en zich grote zorgen maken over de veiligheidssituatie? Kunt u aangeven hoe zij de inzet van de regering beoordelen?

Het kabinet staat in nauw contact met Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR). De KVNR verwelkomt de Nederlandse bijdrage aan EMASOH. De KVNR heeft aangegeven dat de koopvaardij het meeste baat heeft bij de-escalatie. In de ogen van de KVNR is de Nederlandse bijdrage hier nadrukkelijk op gericht, en toont Nederland met de bijdrage pal te staan voor de bescherming van de zeeschepen onder Nederlandse vlag. Volgens de KVRN laat de inzet zien dat Nederland hecht aan de onbelemmerde internationale doorvaart.

Hoeveel van de olie die dagelijks door de Straat van Hormuz wordt vervoerd, wordt geïmporteerd door Nederland?

Om hoeveel liter dit precies gaat valt niet te zeggen op basis van beschikbare gegevens. De dagelijkse doorvoer van olie door de Straat van Hormuz bedroeg in 2018 ca. 20 miljoen vaten – dat staat gelijk aan 20% van de wereldwijde olieconsumptie (IEA).

In 2014 was bijna 20% van Nederlandse import van ruwe aardolie (11.286 miljoen kilogram) afkomstig uit Saoedi-Arabië, Koeweit en Irak (CBS.nl). Deze landen exporteren het gros van hun olie via de Straat van Hormuz.

Sluit het IMSC niet aan bij uw uitgangspunten, te weten preventie van verdere incidenten en de-escalatie van de spanningen? Zo nee, waarom niet?

Er is bewust gekozen voor inzet in een Europees-geleide maritieme missie, aangezien deze missie in tegenstelling tot het IMSC, een brede strategie omvat met inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor. Hiermee zet de missie geïntegreerd in op zowel preventie van verdere incidenten als op de-escalatie van de regionale spanningen. Met deelname aan EMASOH worden politieke risico’s zo veel mogelijk gemitigeerd door hiermee rekening te houden in het ontwerp van de missie, de strategische communicatie rondom de missie en het diplomatieke spoor.

Kan toegelicht worden hoe EMASOH autonoom opereert van IMSC?

De operaties EMASOH en IMSC worden ieder geleid vanuit een eigen hoofdkwartier. Voor EMASOH is dat in Abu Dhabi, voor IMSC is dat in Bahrein. Beide missies opereren apart van elkaar en hebben ook verschillende taken. EMASOH zet in op twee sporen, een diplomatiek en een militair. Militair is de missie de-escalerend en gericht op het verkrijgen van “situational awareness” door middel van het monitoren, identificeren, registreren en analyseren van scheepsbewegingen in de Straat van Hormuz. Het IMSC zet in op één militair spoor en opereert in een groter gebied, waar ook de Straat Bab al-Mandab onder valt. EMASOH beperkt zich tot de Straat van Hormuz.

Onder de taken van IMSC valt ook het escorteren van koopvaardijschepen. Dat is voor EMASOH niet het geval. Zowel EMASOH als IMSC streven uiteindelijk een ongehinderde vrije doorvaart van scheepvaart door de Straat van Hormuz na.

Hoe groot acht u de kans dat Iran deze missie opvat als een bijdrage aan de Amerikaanse maximale drukcampagne? Kunt u nadere toelichting geven over hoe (1) het ontwerp van de missie, (2) de strategische communicatie rondom de missie en (3) het diplomatieke spoor eraan bijdragen dat dit risico zoveel mogelijk wordt gemitigeerd?

In de contacten met Iran is duidelijk gemaakt dat de Nederlandse inzet losstaat van de Amerikaanse maximale drukcampagne.

Het ontwerp van de missie draagt hieraan bij door de inzet op preventie van incidenten, inzet op de-escalatie en samenwerking met Europese bondgenoten.  Het diplomatieke spoor van de missie is gericht op het bevorderen van bewustzijn, (regionale) dialoog en samenwerking ten aanzien van maritieme veiligheidszaken tussen alle belanghebbenden in de Golfregio. Ook zal Nederland in verdere bilaterale contacten met Iran de uitgangspunten van de Nederlandse inzet blijven benadrukken.

Waaruit bestaat de materiële bijdrage van Frankrijk aan de missie?

De Franse bijdrage aan EMASOH bestaat uit één fregat en één militair maritiem patrouillevliegtuig. Tevens faciliteert Frankrijk het hoofdkwartier en leveren zij de kern van de staf voor het hoofdkwartier.  Logistieke ondersteuning van de deelnemende landen in EMASOH is een nationale verantwoordelijkheid. Vanuit Abu Dhabi ondersteunt Frankrijk de logistiek (bijv. havenfaciliteiten, brandstof, onderhoud, geconditioneerde hangaar, en accommodatie voor de staf) van de deelnemende landen.

Heeft een militair schip recht op vrije doorgang door de Straat van Hormuz? Zo ja, waar blijkt dat uit het internationaal recht? Zo nee, hoe is dat dan geregeld?

De bepalingen omtrent doortocht door internationale zeestraten zijn vastgelegd in de artikelen 37 tot en met 44 van het VN-Zeerechtverdrag. Artikel 38, dat het recht op doortocht vastlegt, geeft aan dat alle schepen en vliegtuigen gebruik mogen maken van dit recht. Het internationaal recht bevat geen uitzondering hierop voor militaire schepen of vliegtuigen. In dit geval hebben dus ook militaire schepen dit recht, mits zij voldoen aan de door het verdrag gestelde voorwaarden die gelden voor alle schepen die gebruik wensen te maken van het recht op doortocht. Iran is geen partij bij het VN-Zeerechtverdrag en erkent niet het gewoonterechtelijk karakter van het recht op doortocht.

(volledige lijst van vragen en antwoorden: klik hier)

Geplaatst in Defensie, Militaire missies Nederland | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Artikel 100-brief maritieme missie Golfregio

Aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag

Datum 29 november 2019  

Betreft Nederlandse bijdrage ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio

Geachte voorzitter, 

Op 15 juli 2019 is uw Kamer door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie middels een Kennisgevingsbrief geïnformeerd over de ontvangst van een schriftelijk verzoek van de Verenigde Staten waarin wordt gevraagd om met daarvoor geschikte middelen een bijdrage te leveren aan het waarborgen van vrije en veilige doorvaart en doortocht in de Golfregio. In de genoemde Kennisgevingsbrief werd tevens gemeld dat het kabinet de wenselijkheid en mogelijkheid onderzoekt om aan dit verzoek tegemoet te komen teneinde bij te dragen aan een verhoging van de maritieme veiligheid in de Golfregio. 

In overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet en met verwijzing naar de Kamerbrief over ontwikkelingen sinds verzending van de ‘Samenhangbrief’ (Kamerstuk 29 521 nr. 381) informeren wij u hierbij over het besluit van het kabinet om met een schip bij te dragen aan de Europees-geleide maritieme missie, genaamd European-Led mission Awareness Strait of Hormuz (EMASOH), ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio. 

Essentie  

Het onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan maritieme veiligheid in de Golf, volgde op de incidenten die in mei en juni van dit jaar plaatsvonden in de Golf van Oman en de Straat van Hormuz, waarbij in totaal zes olietankers door explosies beschadigd raakten. Ook werden in juli een tweetal olietankers in de Straat van Hormuz geconfisqueerd, waarbij de Mesdar (Liberiaans gevlagd, eigendom Britse rederij) nog dezelfde dag werd vrijgegeven terwijl de Brits gevlagde Stena Impero ruim twee maanden werd vastgehouden. 

Het kabinet acht het waarschijnlijk dat Iran betrokken is bij deze aanvallen. De aanvallen vormden de aanleiding voor het verzoek van de VS.

De incidenten onderstrepen de hoge mate van urgentie om de vrije doorvaart in de regio veilig te stellen. De hoeveelheid olie die dagelijks door de Straat van Hormuz wordt vervoerd komt overeen met ruim 20% van de wereldvraag en behelst ongeveer 35% van alle olie die dagelijks per schip wordt vervoerd. Incidenten die de scheepvaart ontregelen, en de onzekerheid daaromtrent, hebben directe gevolgen. Dat blijkt ook uit de onmiddellijke stijging van de olieprijzen na de incidenten met olietankers in mei en juni. Grote prijsschommelingen en toenemende onzekerheid zijn schadelijk voor de wereldeconomie en daar is Nederland als exportland extra gevoelig voor. Ook de Nederlandse rederijvereniging heeft zijn zorgen geuit over de aanhoudende onzekerheid, die onder andere tot een tienvoudige stijging van de verzekeringspremies heeft geleid. De rederijvereniging heeft aangegeven dat door de aanhoudende spanningen, de bewegingsvrijheid in de Golfregio beperkt is. Voor de Nederlands gevlagde schepen in de regio is de dreiging voelbaar en zijn veiligheid van de scheepvaart en het voorkomen van verdere escalatie de belangrijkste prioriteiten. Waarborging van de continuïteit en veiligheid van al het maritieme verkeer in de Golfregio is dan ook nadrukkelijk in het Nederlands belang.

Naar aanleiding van de voornoemde incidenten, zijn verschillende veiligheidsinitiatieven tot stand gekomen. Zo leidt de VS een maritieme missie in de Golfregio – het International Maritime Security Construct (hierna: IMSC). Frankrijk leidt het initiatief voor een Europees-geleide coalitie voor maritieme veiligheid in de Golfregio (hierna: EMASOH), met inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor. In het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid en wenselijkheid een bijdrage te leveren aan maritieme veiligheid in de Golfregio, heeft het kabinet verschillende inzetopties overwogen. Uitgangspunten hierbij zijn preventie van verdere incidenten en de-escalatie van de spanningen. EMASOH omvat een brede strategie berustend op twee pilaren: inzet van militaire capaciteiten van deelnemende landen in een maritime surveillance & situational awareness missie en de inzet van diplomatieke kanalen voor het de-escaleren van de spanningen o.a. door het streven naar van een inclusieve regionale dialoog. De missie bestaat uit een coalitie van Europese partners en opereert autonoom van het IMSC. De Europees-geleide maritieme missie sluit hiermee aan op de uitgangspunten van het kabinet. 

In het licht van het voorgaande heeft het kabinet besloten om met ingang van eind januari tot eind juni 2020, inclusief de uit- en thuisreis van enkele weken, een schip met boordhelikopter en een aantal stafofficieren voor het Frans geleide hoofdkwartier in te zetten ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio. Het schip zal onderdeel worden van de Europees-geleide maritieme missie. 

Gronden voor deelname 

De incidenten in de Straat van Hormuz en Golf van Oman, met grote gevolgen op de wereldeconomie en voor de Nederlandse reders, raken direct Nederlandse veiligheids- en economische belangen. Het waarborgen van de vrije en veilige doorvaart van al het maritieme verkeer in dit gebied is dan ook nadrukkelijk in het Nederlands belang. 

Met een deelname aan EMASOH draagt Nederland bij aan de naleving van het internationale recht op vrije doorvaart en doortocht en de bevordering van de internationale rechtsorde. Dit ten behoeve van de schepen die onder de vlag van het Koninkrijk dagelijks gebruik maken van deze belangrijke zeevaartroute, maar ook ten behoeve van de schepen die onder de vlag varen van onze (Europese) bondgenoten en partners. Het kabinet hecht aan de rol van Nederland als betrouwbare partner en de Nederlandse fair share als het gaat om inzet van de krijgsmacht, zoals aangegeven in de Gemeenschappelijke Buitenland- en Veiligheidsstrategie (GBVS) en de Defensienota. In dat kader streeft Nederland naar een proportionele bijdrage aan de internationale inspanningen om dreigingen voor Europa en Nederland tegen te gaan en de internationale rechtsorde te versterken. Met een bijdrage aan de maritieme veiligheid in de Golfregio, toont Nederland zich solidair jegens Europese bondgenoten, en levert het een bijdrage aan een Europa dat verantwoordelijkheid neemt voor het belang van veilige doorvaart in de Golfregio. Ten slotte wil Nederland actief bij blijven dragen aan het waarborgen van veiligheid in een reeds volatiele regio. 

Met de inzet van een marineschip via EMASOH, beoogt het kabinet een preventief effect te sorteren om op die manier bij te dragen aan het voorkomen van verdere acties van welke actor dan ook tegen commerciële schepen en de daarmee samenhangende toename van verder oplopende spanningen. Ook zal de aanwezigheid een versterking van de Nederlandse informatiepositie opleveren die gezien de spanningen in de regio zeer waardevol is. Zoals gezegd berust de missie op twee sporen: een operationeel spoor en een diplomatiek spoor. Via het diplomatieke spoor zal het kabinet zich aldus, parallel aan de militaire bijdrage, blijven inzetten voor de-escalatie van de spanningen. Hiermee beoogt de missie, conform Nederlandse uitgangspunten, een multidimensionale en geïntegreerde aanpak van de maritieme veiligheid in de Golfregio.

Politieke aspecten 

Huidige politieke context 

De politieke spanningen in de Golf zijn de afgelopen maanden hoogopgelopen. De Iraanse destabiliserende invloed in de regio, de Amerikaanse terugtrekking uit de nucleaire deal met Iran, het Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA), de Iraanse overschrijdingen en de door de VS geïnitieerde maximale drukcampagne tegen Iran hebben de verhoudingen in de regio onder druk gezet. De stabiliteit en veiligheid van de scheepvaart in de Straat van Hormuz en Golf van Oman is door verschillende incidenten afgelopen zomer in het geding gekomen.  Met een deelname aan een Europees geleidde missie, wordt de Nederlandse inzet ook niet geassocieerd met de maximale drukcampagne van de VS tegen Iran. Hiermee worden politieke risico’s zo goed mogelijk gemitigeerd.

Nederlandse inzet JCPOA 

Voor het kabinet staat het behoud van het JCPOA voorop. Nederland draagt dan ook bij aan het voortbestaan ervan, onder andere door in te zetten op behoud van de economische voordelen voor Iran die onderdeel zijn van de afspraken van het JCPOA. In deze context zal Nederland zoals gezamenlijk aangekondigd op 29 november 2019 met België, Denemarken, Noorwegen, Finland en Zweden aandeelhouder worden van het Instrument in Support of Trade Exchanges (INSTEX), het Special Purpose Vehicle voor Iran waarmee legitieme handel tussen de EU en Iran wordt gefaciliteerd (Frankrijk, Duitsland, het VK hadden dit mechanisme op 31 januari 2019 reeds opgericht). Door toe te treden als aandeelhouder geeft Nederland invulling aan de gebalanceerde Nederlandse inzet en de blijvende steun voor het JCPOA. Ook wordt het effect van onrechtmatige extraterritoriale werking van VS-sancties op het Nederlands bedrijfsleven beperkt. Het kabinet geeft rekenschap van het feit dat de belangen van het Nederlands bedrijfsleven in de VS een veelvoud betreffen van de belangen in Iran. Bedrijven zullen hun eigen commerciële afweging blijven maken hierin. INSTEX zal daarom geen volledige oplossing bieden, maar is een belangrijke stap binnen de Europese maatregelen om het JCPOA in stand te houden. 

Het akkoord is namelijk van groot veiligheidsbelang voor Nederland en Europa. Het blijft de beste manier om een Iraans kernwapen te voorkomen, op basis van een ongeëvenaard en strikt verificatieregime van het IAEA. Nederland betreurt dan ook de Amerikaanse terugtrekking uit het akkoord. Als gevolg hiervan onderhouden de huidige deelnemers van het JCPOA een zeer precaire balans in het overeind houden van het akkoord. Iran zet het nucleaire akkoord verder onder druk door bepaalde onderdelen ervan niet meer na te leven omdat Iran van mening is dat andere partijen bij het akkoord ook hun verplichtingen niet nakomen. Daar spreekt het kabinet met grote regelmaat zijn zorgen over uit. 

Nederland hanteert een inzet van kritisch engagement met Iran en spreekt Iran waar nodig aan, maar zoekt ook samenwerking op terreinen waar dat mogelijk en in Nederlands belang is. Daarom steunt Nederland het JCPOA en zoekt Nederland de samenwerking met o.a. Iran voor de instandhouding ervan. Ook zal Nederland zorgen blijven adresseren ten aanzien van bijvoorbeeld het Iraanse ballistische raketprogramma, de Iraanse rol in de regio en mensenrechtenschendingen. Deze gemixte inzet van kritisch engagement is wezenlijk anders dan het Amerikaanse beleid van maximale druk. 

Aandachtspunten

Hoewel de missie expliciet geen onderdeel uitmaakt van de door VS-geleide IMSC en het, gezien de inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor nadrukkelijk een de-escalatoir karakter heeft, is het niet ondenkbaar dat Iran ervoor kiest de missie op te vatten als een bijdrage aan de Amerikaanse maximale drukcampagne tegen Iran. Het ontwerp van de missie, de strategische communicatie rondom de missie en het diplomatieke spoor mitigeren dit risico. 

Iran vindt dat Europa te weinig levert om het nucleaire akkoord in stand te houden. Ook hier kan Iran ervoor kiezen om het aansluiten bij een maritieme missie op te vatten als een verdere afname van het Nederlandse en Europese politieke commitment aan het akkoord – wat risico’s op uiteenvallen van het akkoord met zich mee brengt. De inzet ter versterking van maritieme veiligheid in de Golfregio staat echter volledig los van de Nederlandse steun voor JCPOA. Dat Iran de inzet mogelijk zal uitleggen als een provocatie moet worden afgezet tegen het risico dat Iran de commerciële scheepvaart zal blijven ontregelen indien er geen maatregelen worden genomen. Ook hier gelden de diplomatieke dialoog, het ontwerp van de missie en de strategische communicatie daaromtrent als mitigerende maatregelen.
Nederland is kritisch ten opzichte van veel aspecten van het gedrag van Iran (o.m. mensenrechten, ballistische raketprogramma, destabiliserende rol in de regio). Het kabinet spreekt Iran hierop ook aan in een kritische dialoog, o.m. en marge van de AVVN bij een onderhoud van Minister Blok met zijn ambtgenoot Zarif. Een Nederlandse bijdrage aan een (bredere) Europees-geleide maritieme missie samen met Europese ondertekenaars van het JCPOA, zal gericht zijn op het bewaken van vrijheid van navigatie ten behoeve van vrije en onbelemmerde doorvoer. Hiermee is de bijdrage niet gericht op verhogen van spanningen en staat het nadrukkelijk los van de Amerikaanse maximale drukcampagne tegen Iran. 

Bij een eventuele escalatie van de situatie in de regio kan Nederland eigenstandig beslissen om de inzet te beëindigen en terug te keren. Er wordt bewust gekozen voor inzet in een  Europees-geleide maritieme missie, zodat de inzet niet geassocieerd wordt met de Amerikaanse maximum pressure campagne. Ook is het van belang om bij de landen in de regio de boodschap af te geven dat de Nederlandse inzet louter is gericht op het veiligstellen van het recht op vrije doorvaart. 

Mandaat 

Het juridisch kader voor inzet van het fregat, met boordhelikopter, is het internationale zeerecht, in het bijzonder het VN-Zeerechtverdrag. Er kan enkel sprake zijn van zelfverdediging. Het fregat met haar helikopter opereert te allen tijde onder de eigen, nationale geweldsinstructie (rules of engagement) die voldoende ruimte geeft voor zelfverdediging. 

Deelnemende landen 

Frankrijk heeft 12 Europese landen benaderd. De nationale besluitvormingsprocedures in deze landen lopen nog. Onder andere Denemarken heeft zich positief geuit over EMASOH.

Invloed 

Politieke sturing en controle vinden plaats in reguliere bijeenkomsten van vertegenwoordigers van deelnemende staten, een zogenoemd ‘’Political Contact Group (PCG)’’, die in ministerieel of ambtelijk verband bij elkaar kan komen. Hiermee behoudt Nederland te allen tijde invloed op (de nadere invulling van) het mandaat, de wijze van uitvoering en de duur van de operatie. 

Militaire aspecten

Nederlandse bijdrage
Inzet van een fregat met boordhelikopter en een aantal stafofficieren voor het Frans geleide hoofdkwartier. 

Haalbaarheid
De beoogde militaire missie gaat uit van “light footprint’’ bestaande uit maximaal twee schepen en één of meer vliegtuigen. De missie kent een relatief klein operatiegebied bestaande uit het westelijke deel van de Golf van Oman (internationale wateren), de Straat van Hormuz zelf (internationale zeestraat) en het oostelijke deel van de PerzischeGolf (internationale wateren). Het is op dit moment niet voorzien om het fregat in te zetten voor escortes van Nederlands gevlagde schepen door bijv. de Straat van Hormuz, wat – indien wenselijk – enkel buiten de missie onder nationaal bevel kan gebeuren.

Zr. Ms. De Ruyter

LCF-fregat Zr. Ms. de Ruyter

Geweldsinstructie

T.b.v. het operationele niveau wordt het missiedoel vertaald naar een (zo veel als mogelijk) gezamenlijke set van Rules of Engagement (ROE’s). De door Frankrijk voorziene set ROE’s sluit aan bij de set die Nederland voor deze inzet voorziet. Tenslotte is er in algemene zin sprake van spanningen in de regio, wat gevolgen kan hebben voor veiligheidssituatie en de mogelijk daaruit voortvloeiende risico’s voor het fregat. Dit wordt voortdurend in de gaten gehouden om hierop te kunnen anticiperen.

Bevelstructuur

Bij de inzet behoud de Commandant der Strijdkrachten te allen tijde Full Command (FULLCOM) over de Nederlandse eenheden. De Nederlandse bijdrage komt onder lokaal commando van de Commandant van het Fleet Headquarter  (FHQ) dat momenteel wordt opgezet en deel zal uitmaken van het bestaande Franse Joint Hoofdkwartier in Abu Dhabi. Het FHQ zal eind 2019 Initial Operational Capable (IOC) en eind januari Full Operational Capable (FOC) zijn. De logistieke ondersteuning valt eveneens onder de nationale bevelsstructuur waarbij waar mogelijk wordt samengewerkt met de andere deelnemers binnen de missie. 

Duur van de deelname
De inzet van een fregat is mogelijk tussen januari en juni 2020. In verband met onderhoud moet het fregat eind juni terug zijn in Den Helder. Indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven beziet het kabinet of en zo ja onder welke voorwaarden een verlenging of wijziging van de inzet wenselijk wordt geacht. Hierbij zullen de consequenties voor de gereedstelling en de verdringingseffecten van bestaande verplichtingen en eventuele bijdragen in het kader van een van de drie hoofdtaken van Defensie zorgvuldig worden afgewogen. 

Risico’s

Veiligheid

De militaire missie kent een defensief karakter en beperkt zich tot maritime surveillance & situational awareness. Er bestaat echter de mogelijkheid dat statelijke actoren in de regio irregulier optreden, waardoor deze moeilijk te onderscheiden zijn van niet-statelijke actoren. In voorkomend geval kan het fregat zichzelf verdedigen. Met een goede informatiepositie kan dit risico echter tot een minimum worden beperkt.

Medisch

De bekende planmatige 10-1-2 afdekking is bij maritieme operaties gezien de geografische factoren niet uitvoerbaar en ook niet van kracht. Er wordt gestreefd naar een keten die hier zo dicht mogelijk bij aansluit. De tijdslijn voor chirurgische hulp zal echter in veel gevallen niet gehaald worden. Aan boord is door de Medische Actiedienst (MAD), de aanwezige Algemeen militair Verpleegkundige en de scheepsarts de eerste opvang goed afgedekt. Voor de 2e lijns-zorg wordt, zoals gebruikelijk bij maritieme operaties, teruggevallen op hospitalen op de wal. De aanwezige boordhelikopter kan worden gebruikt voor tijdige afvoer van een patiënt.

Dreiging

De huidige politieke spanningen hebben geleid tot enkele geweldsincidenten. Een Nederlands schip in de regio kan in theorie te maken krijgen met vergelijkbare vormen van geweld. Die dreiging wordt echter laag ingeschat omdat de Iran vermoedelijk niet uit is op escalatie. Wel zal de aandacht van Iran voor Nederland en specifiek het ingezette fregat toenemen. Diverse specifieke dreigingen, zoals cyberspionage en –sabotage, zijn onderzocht, zonder ernstige constateringen. De geconstateerde dreigingen hangen samen met de door de Nederlandse eenheden en militairen genomen voorzorgsmaatregelen. 

Gevolgen voor gereedheid en geoefendheid 

Het fregat kan zonder aanvullende gereedstelling worden ingezet. Dit betekent echter dat NLD de maritieme bijdrage aan de NAVO (VJTF) in de eerste helft van 2020 (januari – juni), die tevens deelneemt aan de Standing NATO Maritime Group (SNMG) van februari tot juni, moet terugtrekken. De NAVO moet hierover schriftelijk worden geïnformeerd. Bij inzet in genoemd operatiegebied heeft het fregat geen mogelijkheid om de geoefendheid voor hoofdtaak 1 te voltooien; ook is de inzetduur langer dan deelname aan SNMG en moet na terugkeergroot onderhoud worden uitgevoerd. Beide factoren hebben verdringing van geplande gereedstellingsactiviteiten in de tweede helft van 2020 tot gevolg. Eventuele consequenties op middellange termijn worden inzichtelijk door het aanpassen van de CZSK operationele jaarplanning 2020 en 2021, waar de Kamer in de halfjaarlijkse inzetbaarheidsrapportage over wordt geïnformeerd.

Nationale Veiligheid

De huidige appreciatie is dat Nederlandse deelname aan EMASOH niet noodzakelijkerwijs leidt tot een wijziging van de risico’s voor de nationale veiligheid. Mogelijke dreigingen vanuit de regio voor de nationale veiligheid bestaan ook los van deelname aan EMASOH. Hierbij valt onder meer te denken aan: optreden tegen in Nederland verblijvende politieke tegenstanders uit de regio, inbreuken op de Nederlandse digitale ruimte of aantasting van de economische veiligheid van Nederland. Inzake risico’s voor Nederlandse belangen in de regio, in het bijzonder die van Nederlandse burgers en bedrijven, geldt dat deze eveneens zouden kunnen bestaan of ontstaan los van deelname aan EMASOH. Met het oog op de nationale veiligheid wordt de situatie blijvend gemonitord.


Financiën

De directe additionele uitgaven van de Nederlandse bijdrage zijn geraamd tussen €10 miljoen en €15 miljoen en worden gefinancierd uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV). De indirecte financiële consequenties van de inzet, zoals ten gevolge van de consequenties voor gereedheid en geoefendheid, worden momenteel in kaart gebracht. In een volgende Kamerbrief wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,               De Minister van Defensie,
Stef Blok                                                                  Ank Bijleveld-Schouten

De Minister voor Buitenlandse Handel            De Minister van Justitie en Veiligheid,
en Ontwikkelingssamenwerking,                      Ferd Grapperhaus
Sigrid A.M. Kaag

(bron: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2019Z23713&did=2019D49012)

Antwoorden op Kamervragen over deze Artikel 100-brief:

Geplaatst in marine, Militaire missies Nederland | Tags: , , | 1 reactie

Combined Task Force 150

Recovered from my dusty archives: in 2005 I visited the Dutch flagship of  ‘Combined Task Force 150’, one of three US-led naval task forces in and around the Persian Gulf. With the increased attention for the Strait of Hormuz and surrounding waters, some of the information on how these Combined Task Forces operate may still be useful. 

For the first time an Islamic country will be in command of forces engaged in Operation Enduring Freedom. On 24 April The Netherlands will be relieved by Pakistan, who will then be in command of the multinational Combined Task Force 150 (CTF 150). CTF 150 is an important player in Operation Enduring Freedom, the US-led coalition operation against Al Qaeda and terrorism related networks. CTF 150 “owns” an enormous operating area at sea; the boundaries run from the Straits of Hormuz and the Pakistani territorial waters in the North, via the Red Sea and the Gulf of Aden south to Kenya and the Seychelles. Defence expert Hans de Vreij of Radio Netherlands recently visited Task Force 150 and her present flagship: the Netherlands frigate HNLMS De Zeven Provinciën. About tanned fishermen, regional sensitivities and the hunt for the almost invisible adversary.

“Attacks in this region will have global consequences”.

By Hans de Vreij*

From the bridge of HNLMS De Zeven Provinciën an interpreter establishes radio contact with a small fishing vessel. Place of action: the Gulf of Oman. The answer by the fisherman is not quite satisfying. From the big Air Defence and Command Frigate two RHIB’s (Rigid Hull Inflatable Boat) are sent to the fishing vessel. The RHIB’s are manned with aninterpreter, a boarding team and a guard team of Royal Netherlands Marines. The linguist has a chat with the fishermen and the boarding team is invited on board the fishing vessel. This invitation is important because the Dutch Rules of Engagement do not allow the boarding of a vessel without the master’s approval. Although “Enduring Freedom” is a US-led operation, each of the participating countries of this Coalition has its own set of Rules of Engagement, laid down by their own governments and parliaments, which prevail at any time. 

A dhow, boarded for inspection and a chat. Photo: Hans de Vreij.

The visit to the small dhow (a traditional ship model in this region) is running smoothly. No terrorists or weapons on board. The fishermen look very legitimate; tanned by weather and wind. But the boarding team takes no risk; everything is potentially suspicious. Over the side of HNLMS De Zeven Provinciën a .50 machine gun is aimed at the dhow. Also a sniper is on alert; one of the precautionary measures when executing a boarding. “98 to 99 percent of all the shipping is innocent, but one should never rule out those having less friendly intentions or doing something illegal”, says Captain Maarten Stenvert, the commanding officer of HNLMS De Zeven Provinciën. “If I wanted to hide something I would also try to mask this in this way. That is the reason why we approach all dhows this way” The RHIB’s return to their mother ship, the fishing vessel’s details are collected in a database which has grown out of proportion over the recent years. All participating units and the Headquarters in Bahrain have access to this database – a very complete historical overview of all shipping in the operating area. Deviations from normal patterns therefore immediately draw attention.

The operating area of Task Force 150 encloses more than two million square sea miles. The expression “looking for a needle in a haystack” seems therefore an understatement – the maximum number of surface units within CTF 150 has been 19 units up till now – normally there is an average of 15 surface units within the Force. The mission of this part of Operation Enduring Freedom is to deny terrorists the use of the sea for attacks or for transport of people and weapons. Although counter piracy is not an official part of the mission, CTF 150 can and will operate against pirates in international waters when the situation dictates. The way CTF 150 is operating can be summarized as Maritime Security Operations. An evenly important second mission for CTF 150 is to make sure that countries within this region become involved with CTF 150. This is called Theatre Security Cooperation,  a very laborious process.

It is a known fact that almost every country in his mainly Islamic region dislikes Al Qaeda and related networks. The coastguard and navy of many of these countries have good working relations with CTF 150 and sometimes participate in exercises. But a formal participation in a part of Operation Enduring Freedom is still a sensitive issue in regional national politics. This is one of the reasons why it is of great importance that Pakistan has declared to take command of Task Force 150 for the period of four months. It is the whish and desire that other Islamic countries will follow in the footsteps of Pakistan and will participate actively in Task Force 150 or even take command of Task Force 150.

Since 12 December Task Force 150 is commanded by Commodore Hank Ort of The Royal Netherlands Navy. For him HNLMS De Zeven Provinciën is not only a platform from which actions are being taken, but it serves also as a floating command and control platform from which Ort and his staff give guidance to the Task Force. Units from TF 150 are often great distances apart from each other. “It’s all about intelligence”, says Commodore Ort at his desk in the staffroom of the ship – a space full of computers and a big screen from where, via a kind of internet chat, the information exchange with other units and the Naval Headquarters takes place. “Collecting, processing and analyzing. The ships of TF 150 are busy day by day with gathering information about shipping in the area. They query vessels and if there is any reason for suspicion they will board the ship to investigate and search the vessel. This all contributes to a historical overview from what is happening in the area. In this way we are able to detect any suspicious movements, detect anything out of the ordinary; so that we can go after it.”

Commodore Hank Ort, commander Combined Task Force 150, on board of HNLMS De Zeven Provinciën. Photo: Hans de Vreij.

All participating countries in CTF 150 have to play by their own rules. Within NATO these rules are called “national caveats” and are sometimes cursed. But a Coalition like this international Task Force is a different ballgame than a centrally and well guided alliance as NATO. Commodore Ort executes “modern coalition management”. “It’s all about using the strong points of the individual units. This means in practice that we handpick the unit, allowed to execute a specific operation. There is an overview available of what all the units within the force may and can do, and I have constantly to keep that in mind when directing an operation.” 

Commodore Ort needs to focus his scarce assets (more ships would be welcome, but also more maritime patrol aircraft) especially on the vulnerable chokepoints of merchant shipping in the region: the entrance to the Straits of Hormuz (through which 50% of all crude oil is transported); Bab al-Mandeb (the straits between Yemen and Djibouti) and the entrance of the Suez Canal into the Red Sea. But also developments elsewhere could require the presence of the units under his command. In February Ort immediately directed four of his units in the direction of Yemen, after the escape of 23 Al Qaeda prisoners. Amongst these escapees where the organizers of the suicide attacks on the USS Cole in port Aden in 2000 and of the attacks on the French crude oil tanker Limburg in 2002.

HNLMS De Zeven Provinciën. Photo: Hans de Vreij.

More and more CTF 150 is tasked for anti-piracy operations, mainly in the international waters off the coast of Somalia – a country without effective government where the separation line between “commercial” piracy and terrorism is becoming blurred. The TF seems to know very well where the piracy vessels are positioned. On the other hand the pirates seem to be well aware of the fact that CTF 150 is not allowed to operate in territorial waters. And for the time being the twelve nautical miles zone along the vast extension of the Somali coast serves as a safe haven for the pirates. But in search for a rich trophy, they often move far from the coast and are – just as within the territorial waters – monitored by CTF 150. When required CTF 150 then can take action. In February the USS Winston S. Churchill, one of the units of Task Force 150, captured a group of Somali pirates and handed them over to Kenya to stand trial.

The change over of command to Pakistan in April is an important moment for Commodore Ort. He calls it a big step forward for Operation Enduring Freedom. “From the very first moment it has been the intention for countries in the region to take over the operation. I see Pakistan as a very successful example of a country in the region with the required capabilities actually taking responsibility to participate in this operation. And not only participate but also immediately by taking over command; this will mean that – given all the contacts Pakistan has in this region – we can make a big step forward in involving other regional nations.”

As an example Commodore Ort mentions Saudi-Arabia, with which talks take place and with which Pakistan in its turn has good bilateral contacts. “Another country which has shown interest is Kenya. For us this is very interesting because it is a neighbouring country of Somalia and it is concerned about the possibility of the threatening situation to spread towards Kenya. Therefore Kenya is willing to cooperate with the international coalition.” Furthermore there are talks ongoing about the possible participation of South Africa, Egypt and the United Arabic Emirates in CTF 150. Commodore Ort is cautious in saying too much about these contacts towards mentioned countries – he rather leaves this up to the involved countries itself, just because of the internal sensitivities. At the headquarters in Bahrain praising words can be heard about the results Ort has achieved with countries in the region over the last months. There is even the – also known from different circumstances – terminology “Dutch Approach” being used.

Also NATO seems to have shown interest in participating as CTF 150. “I know these thoughts exist and I would like to encourage the idea”, Commodore Ort says. “NATO can fulfill an important additional role. We are short of assets, so every extra contribution is very much welcomed. NATO brings along not only great knowledge about procedures and mutual cohesion, but also experience in operating in the Mediterranean Sea (i.e. the NATO-operation Active Endeavour aimed against terrorism). Investigation at the NATO-headquarters learns, by the way, that there has not been made a formal proposal to participate in CTF 150. According to a spokesman there are only working contacts on a lower level between Task Force 150 and STRIKFORNATO, a maritime NATO command based in Naples. It is obvious that for participation as CTF 150 approval by the North-Atlantic Council would be required.

Up till now Task Force 150 has not been able to catch “big fish”. According to Commodore Ort the presence of the Task Force itself has a deterrent effect and it is “relatively quite” at the moment. “It can also be seen as follows: The chance of something happening at the moment is rather small. But the seriousness of an accident in this region is of such importance for our economy (50% of the daily oil trade volume is transported through this region) that we cannot afford not to cover the seaside of this area.”

An echo of these words can be heard hundreds of miles further at the headquarters in Bahrain. In this case the words come from Vice-Admiral Patrick M. Walsh, commander US Fifth Fleet, commander of US Naval Forces Central Command and commander of the Combined Maritime Forces which includes also CTF 150. A different Task Force under his command protects the oilfields and installations in the northern part of the Persian Gulf. And yet another Task Force under his command is operating in the central and southern part of the Persian Gulf.

Vice-Admiral Patrick M. Walsh and the author.

When asked about the effectiveness of the different operations (costing a lot of money) Vice-Admiral Walsh reacts a little bit grim. “Al Qaeda already has attacked ships at sea and vital infrastructure. It is difficult to indicate the costs of these attacks. All the attacks in this region have world wide consequences.” Just to illustrate the impact of terrorist attacks in this region: just before my conversation with Vice-Admiral Walsh there had been an attempted terrorist attack in Saudi-Arabia about 30 kilometers south of Bahrain. The attempt took place on one of the largest oil refineries of Saudi-Arabia. Immediately after the attempt there was a worldwide increase in the price of crude oil. This would also happen after attacks on oil-facilities and/or crude oil tankers at sea.

About the increased interest from CTF 150 in piracy operations off the coast of Somalia Vice-Admiral Walsh reacts that this is mainly of importance because at this moment we simply do not know what is going on in Somalia. “We think this area provides fertile grounds for terrorists. From our actions against pirates we have learned to be physically present in this area, help ships in distress and need to closely monitor international shipping routes.”

At the large U.S. naval base in Bahrain there is a separate building reserved for the countries participating as Coalition partner in Task Force 150. There is an international staff; each of the participating countries has its own office. The Netherlands is represented by extra personnel because of its leading role in CTF 150 at the moment. Some of the extra personnel are integrated in a vital part of this entire operation: The Intelligence Fusion Cell. In this cell all the intelligence data from ships and other sources is processed by 14 specialists of 9 different Coalition countries. There is a 24/7 dataflow to and from the ships within Task Force 150.

Dutch staff at Combined Maritime Forces in Bahrain. In the middle: marine corps colonel Erik Blommestijn, Senior National Representative. Photo: Hans de Vreij.

Colonel Erik Blommestijn of the Royal Netherlands Marine Corps is the Senior National Representative in Bahrain. One of his tasks is to act on behalf of the Commander of the Netherlands Defence Forces, General Dick Berlijn. He needs to make sure that the Dutch ships in Task Force 150 (HNLMS De Zeven Provinciën and the replenishment ship HNLMS Amsterdam presently taking part in Task Force 150. Also the submarine HNLMS Bruinvis used to take part) are not being asked to execute operations which contradict the Netherlands Rules of Engagement. He is what is called  a “Red Card Holder”. This red card is rarely drawn, Colonel Blommestijn says. “It does not happen very often because the headquarters is well aware of the different package of authorities of each Coalition partner”.

*Hans de Vreij was Security and Defence editor of Radio Netherlands. Story first published in 2005.

Geplaatst in Defensie, Terrorisme | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

NATO Foreign Ministers’ statement on the INF Treaty

Issued by the NATO Foreign Ministers, Brussels, 4 December 2018

  1. The Intermediate-Range Nuclear Forces (INF) Treaty has been crucial in upholding NATO’s security for over 30 years.
  2. Allies have concluded that Russia has developed and fielded a missile system, the 9M729, which violates the INF Treaty and poses significant risks to Euro-Atlantic security. We strongly support the finding of the United States that Russia is in material breach of its obligations under the INF Treaty.
  3. For over five years, Allies and the United States in particular, have repeatedly raised their concerns with the Russian Federation, both bilaterally and multilaterally. As we stated in the Brussels Summit Declaration in July, Russia has responded to our concerns with denials and obfuscation. Russia only recently acknowledged the existence of the missile system, but without providing the necessary transparency or explanation.
  4. The United States has remained in full compliance with its obligations under the INF Treaty since it entered into force. Allies have emphasized that the situation whereby the United States and other parties fully abide by the Treaty and Russia does not, is not sustainable.
  5. Russia’s violation of the INF Treaty erodes the foundations of effective arms control and undermines Allied security. This is part of Russia’s broader pattern of behaviour that is intended to weaken the overall Euro-Atlantic security architecture.
  6. Allies are committed to preserving strategic stability and Euro-Atlantic security. NATO will continue to ensure the credibility and effectiveness of the Alliance’s overall deterrence and defence posture.
  7. We will continue to consult each other regularly with a view to ensuring our collective security. We will continue to keep the fielding of Russian intermediate-range missiles under close review.
  8. Allies are firmly committed to the preservation of effective international arms control, disarmament and non-proliferation. Therefore, we will continue to uphold, support, and further strengthen arms control, disarmament and non-proliferation, as a key element of Euro-Atlantic security, taking into account the prevailing security environment.
  9. We continue to aspire to a constructive relationship with Russia, when Russia’s actions make that possible. As most recently confirmed at the Brussels Summit, we remain open to dialogue with Russia, including in the NATO-Russia Council.
  10. We call on Russia to return urgently to full and verifiable compliance. It is now up to Russia to preserve the INF Treaty.
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kabinet: Rusland schendt INF-verdrag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag

Onze Referentie
DVB/NW-130/2018

Datum 27 november 2018

Betreft Nederlandse conclusie over de Russische schending van het INF-verdragHet INF-verdrag (Intermediate-Range Nuclear Forces) is meer dan dertig jaar zeer belangrijk geweest voor de stabiliteit en veiligheid van het Euro-Atlantische gebied. Dit verdrag, dat grondgelanceerde raketten en kruisvluchtwapens met een bereik tussen 500km en 5500km verbiedt, heeft geleid tot het verwijderen van een gehele klasse nucleaire en conventionele systemen, en vormde de opmaat naar verdere ontwapeningsmijlpalen direct na de Koude Oorlog. Nederland en de NAVO- bondgenoten onderschrijven daarom het belang van het behoud van dit belangrijke wapenbeheersingsverdrag. Echter, volledige naleving van het verdrag door beide partijen is essentieel voor haar geloofwaardigheid en voor onze veiligheid.

Inlichtingen bevestigen nu dat Rusland het INF-verdrag schendt: Nederland kan eigenstandig bevestigen dat Rusland een grondgelanceerd kruisvluchtwapen heeft ontwikkeld en op dit moment introduceert (de zogenaamde 9M729; door de NAVO ook wel als SSC-8 aangeduid) met een bereik van meer dan 500 km, hetgeen onder het INF-verdrag verboden is. Deze constatering zal de basis vormen voor verdere Nederlandse standpunten over dit onderwerp.

Gezien de mogelijk serieuze consequenties voor de militaire verhoudingen, strategische stabiliteit en daarmee de veiligheid in Europa, hebben de Verenigde Staten, Nederland en andere NAVO-bondgenoten er sinds 2013 (toen duidelijk werd dat Rusland dit wapen ontwikkelde) veelvoudig bij Rusland op aangedrongen om deze kwestie op een substantiële en transparante manier aan te pakken, en actief deel te nemen aan een technische en inhoudelijke dialoog met de Verenigde Staten. Deze oproep aan Rusland is overgebracht in zowel bilaterale en multilaterale contacten als in openbare NAVO-verklaringen.

Echter, Rusland is niet ingegaan op deze herhaalde oproepen. De Russische regering heeft zich niet bereid getoond de door de VS gevraagde transparantie te bieden over dit systeem, of een oprecht technisch of inhoudelijk overleg aan te gaan met de Verenigde Staten. Bovendien bleek de Russische uitleg inconsistent: tot 2017 ontkende de Russische regering tegen de VS het bestaan van dit kruisvluchtwapen nog volledig; vervolgens erkende de regering het bestaan maar beweerde het dat het wapen het INF-verdrag niet overtreedt. Ook stelde het Russische leiderschap al eerder dat het INF-verdrag niet langer in het belang van Rusland was*.

Nu de Russische schending van het INF-verdrag is bevestigd, kan deze niet onbeantwoord blijven. Nederland zal de nauwe consultaties en samenwerking met de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten voortzetten over de toekomst van nucleaire wapenbeheersing in het algemeen en het INF-verdrag in het bijzonder. Het is duidelijk dat het INF-verdrag zich nu in zeer woelige wateren bevindt en dat het Amerikaanse geduld opraakt. Echter, Nederland zal zich de komende tijd pro-actief blijven inspannen om dit belangrijke verdrag overeind te houden, ook conform de motie Voordewind (Kamerstuk 33 694, nr. 30). Daarvoor is Rusland aan zet.

De NAVO-bondgenoten moeten de Russische schending van het INF-verdrag veroordelen, en Rusland oproepen om zo spoedig mogelijk terug te keren naar een verifieerbare naleving van het verdrag.

Indien Rusland ondanks alles het INF-verdrag blijft ondermijnen, en de VS vervolgens uit dit Russische gedrag definitieve conclusies moet trekken, moeten Nederland en NAVO-bondgenoten zich beraden over vervolgstappen – zowel op militair gebied als op het vlak van wapenbeheersing. Het is voor Nederland overduidelijk dat de verantwoordelijkheid voor de dan ontstane situatie bij Rusland ligt

Dit laat onverlet dat Nederland het van groot belang acht dat de NAVO en Rusland in dialoog blijven, vooral om ongevallen, misverstanden en escalatie te vermijden en transparantie op militair gebied te bevorderen. Mede op aandringen van Nederland kwam de NAVO-Rusland Raad (NRR) op 30 oktober jl. bijeen op ambassadeursniveau. De zorgen over het INF-verdrag werden toen nogmaals overgebracht, hoewel dit niet tot een toenadering heeft geleid.

De onzekere toekomst van het INF-verdrag maakt ook de actieve Nederlandse inzet op het bredere vlak van nucleaire wapenbeheersing en ontwapening des te pertinenter. Daarbij is het uitgangspunt het versterken van het fundament van de internationale non-proliferatie- en ontwapeningsarchitectuur, het Non- Proliferatieverdrag, waarvan Nederland in 2020 de vicevoorzitter van de toetsingsconferentie is. Nederland werkt daarnaast aan twee nieuwe ontwapeningsinitiatieven, te weten het opzetten van een dialoog over het scheppen van de voorwaarden voor nucleaire ontwapening, en het verlagen van nucleaire risico’s, mede door het promoten van strategische dialogen tussen kernwapenbezitters over deze onderwerpen. Binnen bondgenootschappelijke verplichtingen zet Nederland zich actief in voor een kernwapenvrije wereld.

* President Poetin noemde het INF-verdrag bijvoorbeeld “achterhaald” tijdens de München Veiligheidsconferentie in 2007, en minister van Defensie Ivanov noemde het kort daarvoor “de grootste vergissing” die Rusland op militair gebied begaan heeft.


De Minister van Buitenlandse Zaken         De Minister van Defensie

Stef Blok                                                           Ank Bijleveld-Schouten

(Summary: in this letter to Parliament, the Dutch government says that, based on its own intelligence, Russia is violating the 1987 INF (Intermediate Nuclear Forces) Treaty. It says Russia is currently fielding the 9M729 (NATO designation SSC-8) cruise missile which has a range of more than 500 kilometers (the lower INF threshold), HdV.) 

Geplaatst in Intelligence, NAVO, Russian Federation, Uncategorized, Verenigde Staten, weapons of mass destruction | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen