Optreden Gideon van Meijeren (FvD) in Kamerdebat over journalisten.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Van Meijeren van Forum voor Democratie.

De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. In een functionerende democratie zou de journalistiek moeten optreden als waakhond, als controleur van de macht, altijd op zoek naar de waarheid en niets dan de waarheid.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik wil aan de heer Van Meijeren vragen of het klopt dat ook zijn partij de pers tuig van de richel vindt, en ook vindt dat de mainstreammedia fakenieuws brengen.

De heer Van Meijeren (FVD):
Op die laatste vraag zeg ik in ieder geval een volmondig ja. De mainstreammedia brengen aan de lopende band desinformatie en fakenieuws. Het is werkelijk schandalig. Daarmee zou ik een groot deel van de journalisten die werken voor de mainstreammedia, uitzonderingen daargelaten, ook wel willen omschrijven als tuig van de richel. Ja.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Michon-Derkzen, en dan mevrouw Van der Werf.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Het is prettig dat we dit gelijk aan het begin van het betoog weten. Ik stel vast dat de heer Van Meijeren van Forum voor Democratie direct bijdraagt aan de bedreigingen en het geweld waar journalisten dagelijks mee te maken hebben. Hij is onderdeel van deze Kamer. Hij bevestigt nog een keer die walgelijke zinnen die hij en zijn voorman ook op Twitter zeggen. Hij neemt daar dus duidelijk geen afstand van, waarvan akte.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Werf, D66.

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou, ik wil hier eigenlijk wel even kort op reageren hoor.

De voorzitter:
Ja, dat mag. Gaat uw gang.

De heer Van Meijeren (FVD):
Wij maken ons op geen enkele manier schuldig aan agressie of bedreiging richting journalisten. Wij hechten wel een waardeoordeel aan journalisten die hun taak als controleur van de macht totaal niet serieus nemen en desinformatie verspreiden. Journalisten die zelf dapper genoeg zijn om mensen aan te merken als “nazi”, “racist”, “fascist”, “complotdenker”, “wappie”, en daarmee zelf het klimaat creëren van een toelaatbaarheid van geweld tegen politieke tegenstanders … Dan is het niet zo vreemd dat daar ook met woorden een keer iets tegen ingebracht wordt. Dus ik zie dat totaal niet als het bijdragen aan agressie. Totaal niet, nee.

Mevrouw Van der Werf (D66):
De heer Van Meijeren had het net over desinformatie. Wat nu eigenlijk wel steeds duidelijker wordt, is de rol die zijn partij, Forum van Democratie, zelf speelt in het verspreiden van desinformatie, en dan met name als het gaat om bijvoorbeeld coronacomplottheorieën. Een recent onderzoek van The London Story liet zien hoe uw partij die desinformatie over COVID-19 actief promoot, onder andere via politieke advertenties op Facebook. En uw partij had daar maar liefst twee ton voor over. Heeft u enig idee hoe groot de impact daarvan is, van die desinformatie?

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou, mijn vraag is eigenlijk: zou deze spreker kunnen toelichten welke informatie die wij verspreid hebben, zij aanmerkt als “desinformatie”? Want anders kan ik deze vraag niet beantwoorden. Wij verspreiden geen desinformatie.

De voorzitter:
Ik geef mevrouw Van der Werf de kans om dit toe te lichten. Mevrouw Van der Werf?

Mevrouw Van der Werf (D66):
Ja, voorzitter. Ik ben uiteraard bereid om dat onderzoek van The London Story naar u toe te mailen na dit debat, maar dat kan ik hier niet via de microfoon doen. Het feit alleen al dat u dat geen desinformatie noemt, het continu ondermijnen van alles wat wetenschappers en journalisten over deze pandemie schrijven, tja, dat is ook een ondermijning van onze democratie. En dat is waar ik hier de heer Van Meijeren op aanspreek. Voelt u dan geen enkele verantwoordelijkheid naar al die mensen die dat lezen, die denken “nou, ik zal dan maar geen vaccinatie gaan halen”? Voor journalisten die zich bedreigd voelen vanwege taal die u naar hen uitslaat? Dat is toch gewoon walgelijk?

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou ja. Mevrouw Van der Werf kan kennelijk niet eens zeggen welke informatie moet worden aangemerkt als “desinformatie”. Als het informatie is waar mensen de conclusie uit trekken dat ze geen vaccin moeten gaan halen, dan geef ik ze groot gelijk. Ik geef iedereen bij dezen het advies om je vooral níét te laten injecteren met een experimentele gentherapie, waarvan de bijwerkingen op lange termijn nog niet eens onderzocht zijn. En de desinformatie wordt verspreid door het RIVM, dat verspreidt dat die vaccinaties veilig zijn en voldoende zijn onderzocht. Dát is desinformatie. Het RIVM verspreidt desinformatie, en heeft een geschiedenis als grootste verspreider van desinformatie in deze hele coronacrisis, of eigenlijk dit hele coronaschandaal.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Kwint, SP.

De heer Kwint (SP):
Nou ja, goed, ik moet de heer Van Meijeren meegeven dat als er één man in staat zou zijn om die geschiedenis van desinformatie te herkennen, dat dat inderdaad de heer Van Meijeren zou moeten zijn. Dus misschien weet hij daar meer van dan ik. Het ging mij om iets anders wat hij net zei. Hij verwijt eerst journalisten met hun uitspraken bij te dragen aan een klimaat van agressie richting Forum. En vervolgens zegt hij: ja, maar wat wij doen, heeft niks met bedreiging te maken; wij zullen nooit bedreigingen goedpraten of ook maar willen initiëren. Hoe zit het nou, volgens u? Hebben woorden die mensen uiten, uiteindelijk mogelijke consequenties in daden die andere mensen gaan doen, of heeft dat helemaal niks met elkaar te maken? Want dat kan niet twee kanten op.

De heer Van Meijeren (FVD):
Ik heb het helemaal niet gehad over een klimaat tegen Forum. Ik heb het erover gehad dat de media zelf ook termen bezigen waardoor bijvoorbeeld een van de leiders van een van deze partijfracties dagelijks beschermd moet worden, waardoor Pim Fortuyn door zijn hoofd geschoten is en vermoord. Dus als mensen daadwerkelijk worden neergezet als een gevaar voor deze samenleving, dan kan dat inderdaad op enig moment door sommige personen helaas, veelal uit linkse hoek, worden aangemerkt als een soort van rechtvaardiging om dan maar weer naar de wapens te grijpen. Woorden van Forum hebben daar nooit toe geleid. Dat woord “tuig” heb ik zelf overigens niet eens in eerste instantie gebruikt, maar ik kan me er best iets bij voorstellen dat je dit soort journalisten, die zich gedragen als politieke activisten, als “tuig” zou willen aanmerken. Maar dat leidt niet tot ernstige bedreigingen of geweld tegen journalisten. Dat er iemand een keer met een T-shirtje rondloopt waarop staat “NOS is fake news” … Nou, dat lijkt me nou niet een reden om in angst de stickers van je busje af te halen en niet meer naar een demonstratie te durven gaan. Als je journalist bent, hoort het bij je beroep dat je af en toe tijdens je werk, als je de hitte van de strijd opzoekt, ook te maken krijgt met een momentje van beperkte vreugde. Maar met agressie en bedreigingen heeft dat weinig tot niets te maken.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Kwint tot slot, en dan mevrouw Ellemeet.

De heer Kwint (SP):
Die momenten van beperkte vreugde herken ik ook wel. Ik moet dat hele leuterverhaal aanhoren. Het gaat mij om de inconsequentie in uw eigen redenering. U zegt eerst: die journalisten zorgen voor bedreiging, demonisering en geweld, maar als ik wat zeg, luistert er niemand en gebeurt er nooit wat. Dan kan ik me ondertussen na een paar minuten wel voorstellen. Ik kan het iedereen aanraden om te stoppen met luisteren. Maar de redenering is intern totaal inconsequent. Als journalisten wat zeggen, draagt dat bij aan een klimaat van bedreiging en intimidatie, maar u mag hier alles zeggen zonder ooit enige verantwoording ervoor af te leggen. Dat is toch totaal hypocriet?

De heer Van Meijeren (FVD):
De grens ligt voor Forum voor Democratie altijd bij geweld, of bij het oproepen of aanzetten tot geweld. Daar maken wij ons niet schuldig aan. Naar mijn mening kan zoiets pas zo stellig worden gesteld als de heer Kwint dat doet op het moment dat dat geweld zich ook daadwerkelijk voltrekt. Nou, dat hebben we gezien bij onder meer de heer Fortuyn. Dat hebben we nooit gezien bij een journalist die door Forum onheus bejegend zou zijn. Dus u kunt wel zeggen dat onze woorden aanzetten tot geweld, maar de feiten wijzen daar niet op. Dus het is klinkklare kletskoek wat ik de heer Kwint hoor zeggen.

De heer Kwint (SP):
Er worden mij woorden in de mond gelegd.

De voorzitter:
Wilt u een punt van orde maken, omdat het een persoonlijk feit is? Dat mag. Gaat uw gang.

De heer Kwint (SP):
Ja, laten we het dan een punt van orde noemen. Waar het mij om gaat, is dat ik … Ik heb echt niet de hoop dat u van standpunt gaat veranderen; het gaat mij om de consequentie van uw eigen woorden. Als u één kant op zegt dat het oproepen tot geweld is, als u één kant op erkent dat woorden gevolgen hebben en mensen tot daden kunnen aanzetten, kunt u niet als een soort kleuter met uw vingers in uw oren wegrennen, al “nanananana” roepend, op het moment dat iemand uw woorden neerlegt en vraagt wat daar de consequenties van zijn.

De heer Van Meijeren (FVD):
Met het risico om in herhaling te vervallen zal ik er toch nog een keer op reageren. Wij hebben natuurlijk het volste recht om kritiek te hebben op andere politici, op journalisten, op onderzoekers, op wetenschappers en op linkse ambtenaren bij de NCTV. Wij hebben kritiek, en dat is ons goed recht. De heer Kwint trekt daar ten onrechte de conclusie uit dat dit aanzet tot geweld, want dat geweld vindt helemaal niet plaats. Dat geweld vindt plaats vanuit linkse hoek. Dat zijn gewoon de feiten. Die kan ik helaas niet veranderen voor u. Waar zien we dat er sprake is van geweld tegen mensen die gedemoniseerd zijn? Dat is aan de lopende band geweld vanuit linkse hoek.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Meijeren. Graag via de voorzitter. Dan geef ik eerst het woord aan mevrouw Ellemeet en dan aan mevrouw Palland.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):
Ik moet zeggen dat de rillingen mij echt over de rug lopen als ik de heer Van Meijeren hoor praten: de onafhankelijke media volledig diskwalificeren als fake news. Wat dat doet in een samenleving … En dan nog beweren dat zulke uitspraken niet leiden tot geweld. Ik begon mijn eigen inbreng met allemaal voorbeelden van journalisten die geconfronteerd zijn met geweld. Dat komt ergens vandaan. Wil de heer Van Meijeren hier ontkennen dat uitspraken die wij doen, die hij doet, leiden tot beïnvloeding van heel veel mensen, wat vervolgens kan leiden tot geweld?

De heer Van Meijeren (FVD):
Het is eigenlijk dezelfde vraag als de heer Kwint zojuist al stelde. Natuurlijk kunnen woorden aanzetten tot geweld. Dat is ook gewoon strafbaar. Dus als u van oordeel bent dat mijn woorden aanzetten tot geweld, moet u aangifte doen tegen mij, want dan zou ik een strafbaar feit plegen. Daar is op dit moment totaal geen sprake van. De feiten wijzen daar niet op. Ik vind het heel vervelend dat de rillingen over uw rug lopen. Mij lopen de rillingen ook weleens over de rug, maar de feiten veranderen niet door uw rillingen.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):
Forum voor Democratie diskwalificeert onze onafhankelijke media en geeft aan dat journalisten onze samenleving ondermijnen. Dat zijn heel vergaande uitspraken, die mensen aanzetten tot allerlei gedrag. Dan kan je wel zeggen dat het niet een-op-een is, maar het gaat erom — ik hoor dat heel veel collega’s zeggen — dat woorden niet onschuldig zijn. We moeten goed nadenken over woorden. Het diskwalificeren van onze journalisten, die hun werk onafhankelijk doen, heeft gevolgen. Daar kunnen we niet van wegkijken.

De heer Van Meijeren (FVD):
Mevrouw Ellemeet spreekt zichzelf totaal tegen door het te hebben over “onze” journalisten die onafhankelijk zijn. Het zijn úw journalisten, niet de onze. Ze zijn totaal niet onafhankelijk, want als we het even over de NPO hebben, dan staan ze onder leiding van een D66-baas die betaald wordt door de overheid en daar dus afhankelijk van is. De zogenaamd onafhankelijke journalisten in Nederland hebben hun ziel ook al totaal verkocht. De hoofdredacteur van de Volkskrant heeft opgeroepen om met één mond te spreken in de coronacrisis en de lijn van het RIVM te volgen. Dat heeft niets meer te maken met het controleren van de macht. Dan ben je een applausmachine van de macht. Er is vanuit het kabinet druk uitgeoefend op De Telegraaf om niet al te veel kritiek te hebben op het RIVM. Dus over welke onafhankelijke media heeft u het eigenlijk? Er zijn nog maar een paar onafhankelijke journalistieke platforms in Nederland op dit moment. Dat zijn niet de mainstream media. Díé platforms hebben te maken met agressie, bedreigingen en geweld. Daar kom ik zo dadelijk nog op.

De voorzitter:
Mevrouw Ellemeet, tot slot.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):
Het is dood- en doodeng dat wij in ons parlement een partij hebben die zulke uitspraken doet. Het is doodeng dat deze partij, Forum voor Democratie, journalisten die zich baseren op feiten en wetenschappelijk onderzoek diskwalificeert. Dat betekent dat het des te belangrijker wordt dat wij met alle partijen hier in deze Kamer, ook al verschillen wij op heel veel punten van elkaar, laten horen dat dit niet kan en dat wij dit niet accepteren.

De heer Van Meijeren (FVD):
Nou ja, voor de laatste keer: voor ons ligt de grens bij geweld. Geweld tegen journalisten moet keihard aangepakt worden. Forum voor Democratie heeft dit jaar nog een motie gesteund om geweld tegen journalisten harder aan te pakken. En wie stemde tegen? Onder meer mevrouw Ellemeet van GroenLinks. Waarom wil mevrouw Ellemeet geweld tegen journalisten niet strenger aanpakken? Blijf bij de feiten, mevrouw Ellemeet.

Mevrouw Palland (CDA):
Soms weet je bijna niet waar je moet beginnen om het gesprek nog met elkaar te zoeken, ook in dit huis. Maar ik probeer het toch. Deelt de heer Van Meijeren de analyse, die hier breed in de Kamer wordt gemaakt, dat er een probleem is met dreigingen die journalisten ervaren en dat zij zich daardoor belemmerd voelen in het uitvoeren van hun werk? Deelt u de analyse dat dit aan de hand is?

De heer Van Meijeren (FVD):
Absoluut. Ik heb daar ook tal van voorbeelden van. Daar zal ik zo dadelijk ook volop aandacht aan besteden. Maar dan heb ik het dus over geweld waar aangifte van gedaan wordt en niet over iemand die een keer met een T-shirt rondloopt waarop staat “NOS is fakenews”. Want dat heeft met geweld of intimidatie helemaal niets te maken.

Mevrouw Palland (CDA):
Het is helder dat dat uw analyse is. Maar we constateren hier volgens mij ook in grote meerderheid dat woorden ertoe doen, in dit huis, maar ook buiten dit huis. Ik hoor u eigenlijk zeggen: dat zal wel, maar aan ons ligt het eigenlijk niet. Dan wil ik u toch voorhouden dat u afgelopen zaterdag heeft gezegd “de overheid is de vijand; we willen het gezag niet meer erkennen”, en dat er gisteren volgens mij nog een tweet vanuit uw partij uit is gegaan die oproept om de wet te overtreden door harder te gaan rijden waar dat mogelijk is en om je niet te houden aan bijvoorbeeld de snelheidslimieten in dit land. Je kunt toch niet zeggen dat dat niet oproept tot burgerlijke ongehoorzaamheid? Het brengt mensen in ieder geval niet dichter bij elkaar en is juist opruiend.

De heer Van Meijeren (FVD):
Het doet mij oprecht, oprecht pijn dat ik moet constateren dat de regering zich op dit moment opstelt als vijand van de bevolking. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog hebben we weer een regering die wetten voorbereidt op grond waarvan een staat van apartheid wordt gecreëerd en waardoor mensen worden buitengesloten van het sociaal-maatschappelijk leven. Het is noodzakelijk om niet te zwichten voor tirannen. Wij zullen niet zwichten voor tirannen. Als er regelgeving tot stand komt op grond waarvan complete bevolkingsgroepen worden gediscrimineerd, dan roep ik op om daar niet aan te gehoorzamen. Want dan is gehoorzaamheid een grotere misdaad dan ongehoorzaamheid. De verschrikkingen die de Joden zijn aangedaan in de Tweede Wereldoorlog zijn gepleegd door mensen die gehoorzaam waren en niet door mensen die ongehoorzaam waren.

De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van Meijeren, ik wil zelf als voorzitter ook wat zeggen. U gebruikt grote woorden. U maakt weer een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog. Ik hecht er waarde aan om te zeggen dat ik dit echt ongepast vind. Ik denk dat een aantal collega’s daar ook iets over willen zeggen. Allereerst mevrouw Palland van het CDA.

Mevrouw Palland (CDA):
Ja. Nogmaals, je weet soms niet waar je moet beginnen om elkaar hier nog aan te spreken, maar het is volstrekt ontoelaatbaar wat u hier allemaal te berde brengt. We nemen daar denk ik als volledige Kamer volstrekt afstand van. U heeft geen idee wat een dictatuur of een tirannie is.

De voorzitter:
Als ik naar de gezichten van de collega’s kijk, denk ik dat mevrouw Palland het heel goed heeft samengevat. Ik wil u vragen, meneer Van Meijeren, om echt op uw woorden te passen.

De heer Van Meijeren (FVD):
Feit is dat het voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog zo is dat mensen weer een pasje krijgen aan de hand waarvan ze moeten bewijzen of ze wel of niet toegang krijgen tot het sociaal-maatschappelijk leven. Ik zou willen dat er in de jaren dertig mensen waren opgestaan die hier keihard tegen ingingen. En nog even tot slot, voordat u allemaal verontwaardigd naar de interruptiemicrofoon loopt.

De voorzitter:
U krijgt zo de kans.

De heer Van Meijeren (FVD):
In het jaar 1933 was er een gekozen volksvertegenwoordiger die Adolf Hitler “een boef” noemde. Hem werd het woord ontnomen, met twintig stemmen tegen zes. Als een meerderheid vindt dat er geen sprake is van tirannie, betekent dat dus niet dat er daarmee geen sprake is van tirannie. Wij zullen ons altijd met hand en tand blijven verzetten tegen ieder beleid dat erop gericht is om bevolkingsgroepen te discrimineren.

De voorzitter:
Meneer Van Meijeren, ik doe nogmaals een oproep aan u. Uw woorden zijn kwetsend. Als ik kijk naar mijn collega’s, zie ik ook hun reactie. Ik wil dus nu echt vragen om echt op uw woorden te letten en uw verhaal af te maken. Vervolgens schorsen we de vergadering even.

De heer Van Meijeren (FVD):
Om misverstanden te voorkomen, …

De voorzitter:
Ik zou het heel fijn vinden als u aan mij als voorzitter bevestigt dat u echt rekening houdt met uw woorden in deze Kamer. Het is ook mijn rol om daar toezicht op te houden. Ik zie de reacties van de collega’s. Ik weet zeker dat ook buiten deze Kamer uw woorden als heel kwetsend opgevat kunnen woorden. Ik wil u dus echt vragen om daarop te letten. Dan geef ik u weer het woord om uw verhaal af te maken.

De heer Van Meijeren (FVD):
Om misverstanden te voorkomen: Forum voor Democratie bepleit op geen enkele manier dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in de buurt komen van wat op dit moment ongevaccineerden wordt aangedaan. Natuurlijk niet. Het is een glijdende schaal. Eerst werden de Joden uitgesloten om naar de bioscoop te gaan, toen mochten ze …

De voorzitter:
Meneer Van Meijeren, ik schors de vergadering even en wil heel graag even met u in gesprek.

De heer Van Meijeren (FVD):
Prima.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik wil aan de heer Van Meijeren vragen om zijn verhaal af te maken. Het woord is aan de heer Van Meijeren.

De heer Van Meijeren (FVD):
Voorzitter. In 2010 beweerde de heer Job Cohen in een interview in Vrij Nederland, en ik citeer: “Moslims in Nederland worden buitengesloten zoals de Joden dat rond het begin van de Tweede Wereldoorlog overkwam”. Waar was toen de verontwaardiging? Moslims in Nederland werden niet uitgesloten van het sociaal-maatschappelijk leven; die zijn altijd welkom geweest, in ieder restaurant, in de …

De voorzitter:
Helaas, ik schors de vergadering weer.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef tot slot het woord aan de heer Van Meijeren.

De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik vervolg mijn betoog.

Onze democratie, voor zover überhaupt nog van democratie gesproken kan worden, functioneert totaal niet. De mainstreamjournalistiek is vandaag de dag volstrekt ongeloofwaardig. Niet meer serieus te nemen. Niet eens geïnteresseerd in de waarheid maar vooral druk om de waarheid te manipuleren. Geen controleur van de macht maar schoothondje van de macht. Een applausmachine van de macht. In feite hebben we het hier niet over journalisten maar over activisten.

Journalisten en onderzoekers die hun rol wél serieus nemen en wél op zoek durven te gaan naar de waarheid, krijgen te maken met ernstige bedreigingen, censuur, agressie en intimidatiepraktijken. Zelfs vanuit de overheid. Neem het journalistieke platform Blackbox. Een journalist die een interview afnam met iemand die kritisch is op het overheidsbeleid, kreeg de politie aan de deur. De reden: hij zou een complotdenker hebben geïnterviewd. Toen hij vroeg “wat is dan een complotdenker?”, kreeg hij van de politie — ik citeer — te horen: “Iemand die tegenovergesteld denkt als wat de overheid verwacht.” Dus denk je anders dan de overheid verwacht, dan kun je de gedachtepolitie aan je deur verwachten. Hoe beoordeelt de minister deze afschuwelijke intimidatiepraktijken richting de vrije pers?

Ook andere ambtenaren van de minister intimideren erop los. Het journalistieke platform De Blauwe Tijger werd in de dreigingsanalyse van de NCTV aangemerkt als “een doorgeefluik van antioverheidspropaganda”. Dus als je niet de overheidspropaganda klakkeloos kopieert, zoals de mainstreammedia, maar een ánder geluid laat horen, dan vorm je voor de regering een bedreiging. En woorden blijven niet zonder gevolgen. De ING besloot vervolgens om de bankrekening van dit journalistieke platform te blokkeren, net als bankrekeningen van tal van andere journalistieke platforms die een kritisch geluid laten horen in het coronadebat. Onderzoekers die publiceerden over het buitensporige geweld door de politie tegen coronademonstranten kregen te maken met ernstige doodsbedreigingen. Kan de minister aangeven wat de stand van zaken is van een strafrechtelijk onderzoek naar deze doodsbedreigers? En hoe beoordeelt de minister de harde realiteit dat journalisten die niet zwichten voor de druk vanuit de overheid om de coronapropaganda over te nemen, te maken krijgen met ernstige agressie? Graag een reactie.

Forum voor Democratie zal zich altijd met hand en tand blijven inzetten voor de vrijheid en veiligheid van onze journalisten. Want zonder vrije pers geen democratie.

Dank u wel.

(bron: ongecorrigeerd verslag van een plenaire vergadering van de Tweede Kamer over bedreiging van journalisten, 9 september 2021)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

30 jaar geleden: oorlog in Slovenië

Dertig jaar geleden (op 27 juni 1991) begin in Slovenië de eerste van de vier burgeroorlogen in het voormalige Joegoslavië. Hij duurde maar kort (10 dagen) en er vielen betrekkelijk weinig slachtoffers. De oorlogen in Kroatië, Bosnië en Kosovo zouden volgen en waren van een heel andere orde van grootte. Maar voor mij was het de eerste oorlog die ik meemaakte. Alleen al daarom een indrukwekkende ervaring. 

Begin 1991 was ik in Praag begonnen als freelance correspondent Oost-Europa van de Telegraaf. Al rap kwam Joegoslavië bovenaan het prioriteitenlijstje. In snel tempo dreigde het land uiteen te vallen en alom werd rekening gehouden met gewelddadigheden of zelfs oorlog. 

Telegraaf, 18 maart 1991

Op 25 juni verklaarden Kroatië en Slovenië zich onafhankelijk. Twee dagen later brak dus in het laatste land de pleuris uit. De reden: de Slovenen hadden alle grensposten (en dus de douane-inkomsten) overgenomen van het centraal gezag in Belgrado. De regering stuurde wat militaire eenheden naar die posten om ze terug te veroveren, maar dat werd grotendeels een mislukking. 

De Slovenen hadden zich in de voorafgaande maanden degelijk voorbereid en de ‘territoriale reserves’ van het federale leger omgetoverd tot een eigen legertje. Niet zwaarbewapend met tanks en zo, maar sterk genoeg om de betrekkelijk bescheiden inzet van het federale leger het hoofd te bieden. Hun sterke punt: hinderlagen, bijvoorbeeld met anti-tank wapens. Ik zag ook tankauto’s (met benzine, naar ik aannam) die dwars over bergweggetjes waren gezet, slimme improvisatie. 

De Slovenen boden de internationale pers prima service. Er waren briefings van leidinggevenden zoals de toen nog jonge minister van Defensie Janez Janša, nu premier van het land. Ik maakte vanuit de hoofdstad Ljubljana dagtripjes met behulp van studenten die als gids voor de buitenlandse pers werden ingezet. Of reed zelf op goed geluk rond in het land, op zoek naar verhalen. Internet, gsm en smartphones bestonden nog niet dus was het een soort houtje-touwtje verslaggeving. 

(Janez Janša)

Ik trok de bergen in omdat ik gehoord had dat er buitenlandse toeristen waren gestrand. En inderdaad, ik trof er Nederlanders aan die, vernikkeld van de kou en zonder veel cash bij zich geen kant op konden. In het zuiden bezocht ik een federale tankeenheid. Na een prettig gesprek met twee dienstplichtige soldaten aan de poort stormde een dolgedraaide officier met getrokken pistool op me af. Wat hij schreeuwde kon ik niet verstaan maar de boodschap was duidelijk – ik blies de aftocht. Eenmaal terug in de auto begonnen mijn knieën onbedaarlijk te trillen.

Ik bezocht in Krško ook de enige kerncentrale van Slovenië, vlakbij de grens met Kroatië. De vrees bestond dat de ‘federalen’ het complex zouden kunnen aanvallen, maar een woordvoerder verzekerde me dat het dak van de Honeywell-centrale dik genoeg was om een directe treffer te kunnen weerstaan. Er waren wel andere gevaarlijke scenario’s waarmee men rekening hield maar ik herinner me niet dat ik daarover details heb gepubliceerd. 

Telegraaf, 28 juni 1991

Een eindje verderop werd op een gegeven moment flink gevochten. Ik klopte bij mensen aan om de redactie in Amsterdam te kunnen bellen (zoals gezegd, mobiele telefoons bestonden nog niet). Ik werd hartelijk ontvangen met koffie en zo. Het gezin keek geïnteresseerd naar de TV. Wat daar te zien was? Gevechten die zich twee dorpen verderop bleken af te spelen. Bizar…

Achteraf bleken de vijandelijkheden in Slovenië relatief gezien maar kinderspel te zijn geweest. Er waren geen wreedheden en moordpartijen zoals later in Kroatië en Bosnië. Er waren ook nauwelijks etnische tegenstellingen – geen Servische minderheid van enige omvang bijvoorbeeld. Dat er een oorlog uitbrak was bizar genoeg, al was het maar omdat het Sloveense landschap en de huizen zoveel leken op die in buurland Oostenrijk – Slovenië was ook veruit de meest welvarende republiek van Joegoslavië. Dat maakte de ervaring voor mij ook bijzonder: dat in een ogenschijnlijk welvarend en beschaafd land van de ene op de andere dag een oorlog kon uitbreken. 

(Verzameling van mijn artikelen over Slovenië in Delpher)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Kamerbrief: Verstoring Russische economische spionageactiviteiten door AIVD

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Datum 10 december 2020

Betreft Verstoring Russische economische spionageactiviteiten door AIVD

Zoals gemeld in het meest recente jaarverslag ziet de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst (AIVD) dat steeds meer landen invloed proberen te krijgen op
Nederlandse belangen. Ons land hoort bij de meest ontwikkelde naties van de
wereld op het gebied van economie, wetenschap en techniek. Onder invloed van
globalisering maakt dit dat Nederland een aantrekkelijk, maar ook in toenemende
mate kwetsbaar doelwit is van spionage. *1

De AIVD zet zich in samenwerking met partners in om schade aan de economie en
de nationale veiligheid door spionage te beperken en waar mogelijk te voorkomen
door het vergaren van inlichtingen en het creëren van bewustzijn.

In dit licht informeer ik u, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken en
de minister van Justitie en Veiligheid, over de recente verstoring van Russische
economische spionageactiviteiten van de Russische civiele inlichtingendienst SVR
door de AIVD.

Verstoringsoperatie
Zoals eerder in jaarverslagen van de AIVD gemeld staat Nederland in het vizier
van de Russische inlichtingendiensten, die heimelijk informatie verzamelen die
voor Rusland van belang is, waaronder informatie op het terrein van economie en
wetenschap.

De AIVD beëindigde recentelijk operaties van een Russische inlichtingenofficier
(IO) van de SVR. De IO -die als geaccrediteerd diplomaat op de Russische
ambassade werkte- hield zich bezig met spionage op gebied van technologie en
wetenschap. Hij bouwde een substantieel netwerk op van bronnen, die allen
werkzaam zijn of waren in de Nederlandse hightech-sector. De interesse van de IO
ging onder meer uit naar informatie over kunstmatige intelligentie, halfgeleiders
en nanotechnologie. Veel van deze technologie is zowel bruikbaar in civiele als
militaire toepassingen.

De Russische inlichtingenofficier legde contact met personen met toegang tot
gevoelige informatie binnen de hightech-sector, en in sommige gevallen was in ruil
daarvoor ook sprake van betaling. Een tweede Russische inlichtingenofficier van
de SVR, tevens geaccrediteerd als diplomaat, vervulde een ondersteunende rol.

Bedrijven en onderwijsinstelling geïnformeerd
De hightech-sector in Nederland beschikt over hoogwaardige en unieke kennis. De
spionage heeft zeer waarschijnlijk schade aangebracht aan de organisaties waar
de bronnen actief zijn of waren en daarmee mogelijk ook aan de Nederlandse
economie en de nationale veiligheid.

De bronnen van de Russische inlichtingenofficier zijn door de AIVD aangesproken
om hun activiteiten te verstoren. In een aantal gevallen heeft de AIVD een
ambtsbericht aan betrokken bedrijven en een hogere onderwijsinstelling
uitgebracht zodat zij maatregelen kunnen treffen. In één geval is aan de IND een
ambtsbericht uitgebracht. De IND treft op grond hiervan vreemdelingrechtelijke
maatregelen tegen een bron. De AIVD onderzoekt of er additionele
ambtsberichten uitgebracht kunnen worden aan de IND.

Er kunnen geen mededelingen worden gedaan over de identiteit van de bronnen
en om welke betrokken bedrijven en onderwijsinstelling het gaat.

PNG-verklaringen
Vanwege de onderkende spionageactiviteiten is de Russische ambassadeur op 9
december jl. ontboden door het ministerie van Buitenlandse Zaken en is
medegedeeld dat de inlichtingenofficier, evenals de samenwerkende collega IO
van de SVR tot Persona Non Grata (PNG) zijn verklaard.

Strafbaarstelling spionage
Vanwege de toenemende kwetsbaarheid van Nederland voor spionage is door het
kabinet de toegevoegde waarde van de strafbaarstelling van spionage op het
bestaande instrumentarium onderzocht. Het strafrecht biedt reeds mogelijkheden
om op te treden jegens misdrijven die verband houden met schending van staats-,
ambts- en bedrijfsgeheimen. Echter, spionage -als in de heimelijke samenwerking
door personen met een buitenlandse inlichtingendienst- is op dit moment op
zichzelf niet als zodanig strafbaar. Het kabinet heeft vastgesteld dat een
aanvullende strafbaarstelling wenselijk is en zal onderzoeken op welke wijze
daaraan vorm kan worden gegeven en vervolgens een wetstraject opstarten.

Vervolgaanpak
Uit deze casus blijkt nogmaals dat de statelijke dreigingen ten opzichte van
Nederland reëel zijn. We informeren u nader over de bredere aanpak via het
vervolg op de Kamerbrieven Tegengaan statelijke dreigingen (d.d. 18 april 2019)
en Kennisveiligheid hoger onderwijs en wetenschap (d.d. 27 november 2020).

Bewustwording
De AIVD zet zich in voor de bewustwording van de risico’s van spionage en legt
waar mogelijk uit aan bedrijven, overheden en onderwijsinstellingen hoe ze dit nu
en in de toekomst kunnen voorkomen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

drs. K.H. Ollongren

*1 AIVD jaarverslag 2019, 29 april 2020, p. 3.

(Bron: Tweede Kamer)

Geplaatst in Intelligence, Rusland, Russian Federation | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Kamerbrief: Reactie op het bericht dat het leger informatie verzamelt over de Nederlandse samenleving

Ministerie van Defensie

27 november 2020

Hierbij reageer ik op het verzoek van de Tweede Kamer om een brief over het NRC-artikel van 15 november ‘Leger verzamelde data in Nederland’. Dit artikel gaat in op de activiteiten van het experimentele Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) van de Koninklijke landmacht. Deze brief betreft een eerste reactie hierop hangende de uitkomsten van het onafhankelijke onderzoek hiernaar door de Functionaris voor Gegevensbescherming Defensie. Als het onderzoek gereed is, stuur ik deze met mijn reactie naar de Tweede Kamer. In afwachting van de uitkomsten hiervan heb ik besloten om de activiteiten van het LIMC voor wat betreft het verzamelen en analyseren van informatie stil te zetten. 

Het LIMC
De informatie-omgeving is volop in ontwikkeling met grote gevolgen voor de omgeving waarin de krijgsmacht opereert en voor het opereren van de krijgsmacht zelf. De Defensievisie-2035 die het kabinet u op 15 oktober toestuurde, gaat hier uitgebreid op in. De visie stelt verder dat een van de drie eigenschappen van de krijgsmacht is dat deze naast technologisch hoogwaardig en een betrouwbare partner en beschermer, ook informatiegestuurd moet zijn. Het gaat hierbij om moderne IT die nodig is om vooral voor de eerste en tweede hoofdtaak van Defensie grote hoeveelheden informatie te verzamelen en snel te verwerken, zodat de commandant tijdig betrouwbare informatie ontvangt. Dit is cruciaal voor elke militaire operatie, voor de bescherming van de eigen mensen en voor de bescherming van de bevolking in de omgeving waarin de krijgsmacht opereert.

Dit kan onder andere volgens het principe van Concept Development & Experimentation (CD&E) dat ook door de NAVO wordt gezien als instrument voor capaciteitenontwikkeling. Dit is een iteratief proces van passen en meten, vallen en opstaan en voortdurend herhalen van dit proces. Volgens deze methode wordt regelmatig tussentijds geëvalueerd. Naleving van wet- en regelgeving is hierbij altijd het uitgangspunt. Met het oog op de gewenste doorontwikkeling op het gebied van informatiegestuurd opereren heeft Defensie in maart een experimentele eenheid opgericht die het CD&E traject volgt, het LIMC. Behalve voor de eerste en tweede hoofdtaak zou het experimentele LIMC in voorkomend geval ook activiteiten onder en ten behoeve van het civiele gezag kunnen uitvoeren.

Het juridisch kader en onafhankelijk onderzoek
Sinds de oprichting van het LIMC is er door de civiele autoriteiten geen verzoek tot bijstand gedaan. Daarmee gelden voor de omgang met persoonsgegevens voor het LIMC de reguliere kaders die volgen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en niet bijvoorbeeld de Wet politiegegevens (Wpg) in geval van bijstand aan de politie. De krijgsmacht heeft geen algemene wettelijke taak en bevoegdheid om persoonsgegevens uit open bronnen te verzamelen zoals politie, justitie en de MIVD en de AIVD onder bepaalde voorwaarden wel hebben. Het gebruik van open bronnen voor de taakuitoefening waarbij geen persoonsgegevens worden verwerkt, is overigens wel toegestaan.

Naar aanleiding van het desbetreffende NRC-artikel doet de Functionaris voor Gegevensbescherming Defensie een eigenstandig onderzoek naar de naleving van de AVG bij het LIMC. De Functionaris Gegevensbescherming is de wettelijke, onafhankelijke, interne toezichthouder van Defensie op het gebied van gegevensbescherming. Zij zal de resultaten van haar onderzoek en de aanbevelingen vastleggen in een rapport. Het streven van de Functionaris Gegevensbescherming is erop gericht het rapport begin 2021 aan mij aan te bieden. Vervolgens zal ik dit met mijn appreciatie naar de Tweede Kamer sturen.

De beantwoording van de ingezonden vragen van 24 november 2020 van de leden Belhaj (D66) en Karabulut (SP) over LIMC, JISTARC en andere inlichtingenwerkzaamheden door de krijgsmacht vergt meer tijd en deze antwoorden worden op een later moment verstuurd.

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten

1 Het verzoek van het lid Van Weyenberg (D’66) in het ordedebat van 17 november, Kenmerk 2020Z21843.

2 Defensievisie-2035, 15 oktober 2020, Kamerstuk 34919-71.

3 Staatscourant, nr. 28291, 22 mei 2018.

4 Kenmerk 2020Z22579.

Bron: tweedekamer.nl

Zie ook: ‘Land Information Manoeuvre Centre helpt Defensie anticiperen‘,
Ministerie van Defensie, 16 november 2020.

En: Functionaris Gegevensbescherming Defensie onderzoekt werkwijze LIMC,
Ministerie van Defensie, 19 november 2020.

Geplaatst in Defensie, Intelligence | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

De BVD had drie ‘pro-Chinese’ mantelorganisaties

(Artikel uit 2004, teruggevonden in de ‘Wayback Machine’)

DOOR REDACTEUR VREDE & VEILIGHEID HANS DE VREIJ

09-12-2004

De voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst had van eind jaren zestig tot diep in de jaren ’80 niet één maar drie mantelorganisaties gericht tegen communistisch China. Dat waren naast de Marxistisch-Leninistische Partij Nederland ook de Stichting Nederland-Albanië en de Stichting Nederland-Kampuchea (Cambodja). Sleutelfiguur in al die organisaties was een agent van de BVD die onder de schuilnaam Chris Petersen door het leven ging.

Een en ander is tegenover de Wereldomroep onthuld door de nu 61-jarige Paul Wartena die als overtuigd Maoïst twaalf jaar lang actief lid was van de verschillende organisaties, zonder ooit te hebben geweten dat de BVD deze had opgericht om samen met de Amerikaanse CIA meer inzicht te krijgen in de Chinese invloeden in West-Europa. Wartena bezocht samen met BVD-er ‘Chris Petersen’ onder meer China en het toen pro-Chinese Albanië als officiële afgevaardigden van de MLPN. Dat de BVD achter die partij zat werd afgelopen september al onthuld door oud-medewerker Frits Hoekstra.

Bekeerling
Veel deed de partij niet, zegt Wartena in een gesprek met de Wereldomroep. “Een keer per week of per maand vergaderen, af en toe pamfletten verspreiden”, zegt Wartena. Naar hij zelf zegt is hij er pas veel later achter gekomen dat de partij ook maar zeer weinig echte leden had: vijf tot tien. De rest van de MLPN bestond uit agenten en ambtenaren van de BVD, die bijvoorbeeld in eigen huis het partijblad “De Kommunist” maakten.

Dekmantel
Later maakte Wartena samen met ‘Chris Petersen’ deel uit van twee andere organisaties die in naam pro-China waren maar net als de MLPN een dekmantel waren van de Nederlandse veiligheidsdienst. “Ik werd een tijdje lang bestuurslid van de Stichting Nederland-Albanië en heb ook samen met Chris Petersen Albanië bezocht. Tijdens een 1 mei-viering stonden we samen met dictator Enver Hoxha op het podium, en ik heb ook zijn boeken uit het Engels in het Nederlands vertaald. Geen hond heeft die denk ik gelezen”.

‘Chris Petersen’ ontmoet de communistische dictator van Albanië, Enver Hoxha

In de tweede helft van de jaren ’70 richtte de BVD in de persoon van Chris Petersen een nieuwe organisatie op, de Stichting Nederland-Kampuchea (Cambodja) en ook daarvoor werd Paul Wartena actief. De stichting steunde de dictator Pol Pot, geheel in lijn met de visie van de Chinese Communistische Partij. In 1978 viel Vietnam Cambodja binnen en maakte een eind aan het bewind van Pol Pot, hoewel deze tot 1985 officieel in functie bleef. Het zou tot 1981 duren voordat de  informatie over de ‘Killing Fields’, de massamoorden ten tijde van Pol Pot, Paul Wartena deed besluiten een streep te zetten onder zijn carrière als maoïst en de politiek de rug toe te keren. “Op een gegeven moment heb ik er mee gekapt en me ook van de klassenstrijd afgekeerd”, zegt Wartena. ‘Chris Petersen’ reageerde tijdens een vergadering kwaad: “Je bent dus eigenlijk geen marxist meer!”

“Moord is niet communistisch”
Wartena heeft tegenover de Wereldomroep ook verteld over contacten tussen de maoïstische organisaties en de ‘Rode Jeugd’, die een meer gewelddadige ‘klassenstrijd’ voorstond. “Er was op een bepaald moment sprake van om bepaalde mensen te vermoorden en ik heb daar altijd heel scherp tegen verzet. Ik heb toen gezegd: ‘dat is niet communistisch, dat is fascistisch’. Deze mededeling strookt met eerdere onthullingen door oud-BVD-er Frits Hoekstra.

Ook de ‘Rode Jeugd’ was namelijk door de BVD geïnfiltreerd en op een gegeven moment leverde de dienst zelfs wapens voor een aanslag om hun eigen bron binnen die organisatie geloofwaardig te houden – maar de aanslag of aanslagen werden uiteraard wel verijdeld. Begin jaren ’80 keerde Paul Wartena zich geheel van de politiek af en begon een nieuwe fase van zijn leven.

Geschokt
In een interview met de Amerikaanse krant the Wall Street Journal heeft Peter Bouvé, de echte naam van BVD-agent ‘Chris Petersen’, Paul Wartena “een idioot” genoemd. Wartena is daar ondanks alles toch door geschokt. Petersen was tijdens de twaalf jaar onderling contact een goede vriend geworden en was zelfs spreker op zijn bruiloft. “Zoals alles destijds gelopen is, vind ik helemaal niet erg. Ik ben zelf ook van communist een anticommunist geworden. Maar dat Peter Bouvé dat nu zo zegt, dat schokt me wel een beetje, gewoon, buiten de politiek om, als mens”.

Wartena zou het verder op prijs stellen indien hij de contributie die hij twaalf jaar lang aan de ‘partij’ heeft afgestaan zou kunnen terugkrijgen. “Vrijwillig stond ik een flink deel van mijn op zich magere inkomen af”. Naar pas afgelopen september is gebleken ging dat geld dus gewoon naar de BVD”.

(Bron: Wayback Machine)

Geplaatst in Intelligence | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

‘Dutch secret service ran three pro-China organizations’

A story from 2004, retrieved by the Wayback Machine

by security and defense specialist Hans de Vreij
4 December 2004

From the late 1960s until well into the 1980s, the Dutch secret service BVD ran three cover organizations which targeted communist China. This year, a former Dutch intelligence officer revealed that the ‘Marxist-Leninist Party of the Netherlands’ (Marxistisch-Leninistische Partij Nederland) had been used as a cover for the secret service, now known as the AIVD.

It appears that two pressure groups – the Netherlands-Albania and the Netherlands-Kampuchea foundations – were also BVD covers, created in order for the Dutch intelligence service BVD and the American CIA to obtain information about China’s influence inside Western Europe. In the Netherlands this intelligence project, which remained secret for a long time, was known as ‘Operation Mongol’, while it reportedly went under the name of ‘Operation Red Herring‘ within the CIA. 

One of the few ‘genuine’ members of these three organizations has now given an interview. From 1969 to 1981, Paul Wartena (61), once a committed Maoist, played an active role in the three groups, only to discover in September of this year that the secret service had been using him all along as part of the camouflage for their activities. This discovery followed publication of the memoirs of former BVD staffer Frits Hoekstra, who made the first disclosures about ‘Operation Mongol’. 

In the interview he gave to Radio Netherlands Paul Wartena explained how, as a young man, he joined the Communist Party of the Netherlands (CPN), then began to develop more sympathy for the Chinese version of communism after the famous ideological split between Moscow and Beijing. He eventually laid eyes on his first copy of ‘The Communist’, a newspaper published by the Marxist-Leninist Party of the Netherlands. What he didn’t know was that this paper was written and published by the BVD secret service. He wrote a letter asking to join the organization, and subsequently met the ‘secretary-general’ of the MLPN, a man who called himself Chris Petersen, but who was in fact Peter Bouvé, a BVD operative. 

Paul Wartena joined one of the party’s ‘cells’, and – as he says himself – became one of the MLPN’s most fanatical activists. Not once once did he suspect nor notice any involvement by the secret service, and only now has he discovered that the ‘party’ never had more than between five and ten real members. The remainder of the MLPN was made up of intelligence officers and operatives working for the BVD. 

Speaking to Radio Netherlands, Mr Wartena said the party never actually did very much. According to him, party meetings were held on either a weekly or monthly basis, and occasionally they would distribute leaflets. However, on one occasion in 1974 he and fellow ‘party member’ Chris Petersen did pay an official visit to Beijing. Later on, he and ‘Petersen’ both joined two other organizations with a pro-China line; both of them actually BVD cover operations. “I was on the board of the Netherlands-Albania foundation for a while, and I visited Albania together with Chris Petersen. We stood on the same podium as dictator Enver Hoxha at the country’s May Day celebrations, and I also translated his books from English to Dutch. I don’t think anybody ever read them.” 

Murder is not part of communism’
Mr Wartena also told Radio Netherlands about the contacts between the Maoist organisations and the radical Marxist ‘Red Youth’ movement, which was pushing the idea of a more violent ‘class war’ in the Netherlands. “There was even talk of murdering certain individuals in the Netherlands, and I always strongly opposed that. I was always against violence, and I even said at the time that it wasn’t Communist, it was Fascist.” 

His version of events is backed up by earlier revelations by former BVD staffer Frits Hoekstra, who said the ‘Red Youth’ had also been infiltrated by the BVD. At one point, the intelligence service even supplied the group with weapons for an attack in order to maintain the credibility of its own ‘plant’ inside the movement. Of course, the attack – or attacks – never materialized. 

‘Chris Petersen’ (the cover name of Peter Bouvé) meets Albanian communist dictator Enver Hoxha

In the second half of the 1970s, the BVD used ‘Chris Petersen’ to set up a new organization, the ‘Netherlands-Kampuchea foundation’, in which Paul Wartena also was to play an active part. This group toed the Chinese Communist Party line in backing Cambodia’s then dictator Pol Pot. In late 1978, Vietnamese troops invaded ‘Democratic Kampuchea’ and ended the Pol Pot regime, although Pol Pot himself did not officially give up his position until 1985. In 1981, the many reports about the ‘Killing Fields’, the mass murders committed by the Pol Pot regime, caused Paul Wartena to end his membership of the foundation: “I was principally opposed to violence and, after all the reports about the mass murders, I quit, completely turning my back on politics.” 

Paul Wartena began to study religion and psychology, became an assistant at the University of Utrecht, and currently gives lectures on subjects such as the future of religion and the relationship between culture and how people experience happiness. 

Shocked 
In a recent interview with the Wall Street Journal, former BVD member Peter Bouvé described Paul Wartena as ‘an idiot’. Despite all the other revelations, Paul Wartena – a mild-mannered man with a remarkable political past – is still quite shocked by that description. During the 12 years which they were in contact, Mr Petersen became a good friend, and he even spoke at Wartena’s wedding. “I am not bothered at all about the way things went back then. Even I went from being a Communist to being an anti-Communist. But the fact that Peter Bouvé has said that now, that simply shocks me as a human being.” 

Paul Wartena would like to get back the money he contributed to the ‘party’ over a period of twelve years. “I gave a considerable part of my meagre income to the party”. In September of this year it became clear that this money went straight to the Dutch secret service. Not only that, but his contribution was a mere drop in the ocean compared to the amounts which the authorities in China and Albania gave to ‘Marxist-Leninist Party of the Netherlands’ – whereby the two Communist nations were unwittingly subsidizing one of the West’s most successful intelligence campaigns, of which they were the main targets.

(First published by Radio Netherlands, 4 December 2004)

Geplaatst in Intelligence | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

NCTV: Rechts- en links-extremisme ten tijde van COVID-19

(Passages uit het ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53’ d.d. 15-10-2020. Volledige tekst van het Dreigingsbeeld: zie link op deze pagina.)

De uitbraak van COVID-19 en de genomen overheidsmaatregelen hebben niet geleid tot een verhoogde dreiging van rechts- en links-extremisme in Nederland. De maatregelen hebben logischerwijs gezorgd voor een tijdelijke stilstand van fysieke activiteiten bij activistische en extremistische bewegingen. Maar ook bij demonstraties tegen de maatregelen speelden links- en rechtsextremistische groeperingen een marginale rol.

Dit bevestigt al de langer bestaande fragmentatie, persoonlijke animositeit, lage organisatiegraad en het gebrek aan leiderschap bij zowel extreemrechtse als –linkse groepen. Online koppelden groepen en personen aan beide kanten de ontwikkelingen rond COVID19 aan hun eigen thema’s, om hun gedachtegoed te propaganderen en om te bepleiten dat de crisis het falen van het huidige politieke systeem blootlegt. Dit doen ze bijvoorbeeld door de pandemie te koppelen aan immigratie, globalisering, wereldwijde ongelijkheid of het plaatsen van economische belangen boven mensenlevens. Ondanks de verwachting dat de beperkende maatregelen radicalisering in de hand zou kunnen werken, omdat mensen meer tijd online doorbrengen dan voorheen, was vanuit de gekende ideologieën in Nederland weinig online reuring te zien. Wel kan er door de langetermijngevolgen van COVID-19 mogelijk meer ruimte ontstaan voor radicale standpunten (zie hoofdstuk 2).

Evenals voor de uitbraak van COVID-19 is er een toename van personen die, mede gevoed door extreemrechtse ideeën, online dreigen met geweld. Hoewel de ernst en vooral de waarschijnlijkheid van de dreiging niet in alle gevallen heel groot lijkt, blijft dit een punt van aandacht. Het risico dat rechts-extremistische eenlingen of kleine groepen naar geweld grijpen wordt groter geacht dan in het verleden. Daarnaast hebben extreemrechtse groepen en individuen geprobeerd aan te haken op online circulerende complottheorieën of antilockdown-sentimenten, om de eigen agenda te dienen. Het is exemplarisch dat ze tijdens de anti-lockdown-demonstraties slechts beperkt aanwezig en niet richtinggevend waren, terwijl juist andere groepen zich hebben laten zien (zie paragraaf ‘Polarisatie’)

Verschillende gezichten achter anti-lockdown-demonstraties

Sinds de uitbraak van COVID-19 heeft maatschappelijk ongenoegen zich zowel online als offline verder gemanifesteerd, waarbij sociale media een faciliterende en mobiliserende rol spelen. Een deel van de verschillende groepen en individuen vindt elkaar in het afwijzen van de overheid of het overheidsbeleid. Dit gebeurt niet zozeer uit ideologische motieven, maar vanwege gevoelens van onrechtvaardigheid, groot onbehagen of een andere werkelijkheidsbeleving. Mensen die de overheid, wetenschap en traditionele media al langer wantrouwen kunnen hun denkbeelden bovendien bevestigd zien in complottheorieën, misinformatie en desinformatie; sinds de uitbraak van COVID19 verspreiden complottheorieën zich sneller van de marges van het internet naar mainstreamkanalen. Er is een (online) context ontstaan waarbinnen de drempel om tot extremistische gedragingen te komen wordt verlaagd. Deze context versterkt polarisatie en leidt in een enkel geval tot verharding, intimidatie of (oproepen tot) geweld (zie paragraaf ‘Brandstichtingen bij telecommasten’). Zo is begin juli een man aangehouden die zich beweegt binnen het online milieu van anti-overheid- dan wel complotdenkers. Hij is voorman van een online-groep met 12,500 volgers op Facebook, en actief in verschillende Telegramgroepen. Zijn uitlatingen dienen in het licht te worden gezien van de maatregelen tegen COVID-19, aangezien de man sprak over ‘burgerarresten’ op volksvertegenwoordigers en RIVM-medewerkers. Wel bestaat er een grote discrepantie tussen digitale uitingen van ongenoegen en de omvang van protesten in de fysieke ruimte.

Offline komen verschillende groepen samen in anti-lockdownprotesten, die betreft omvang en ongeregeldheden geenszins in vergelijking staan met protesten in bijvoorbeeld Duitsland maar wel kunnen leiden tot (gewelddadige) verstoringen van de openbare orde. De demonstraties brengen deelnemers op de been vanuit een breed scala aan onderwerpen, zoals het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen COVID-19, de in hun ogen ontwrichtende gevolgen van de maatregelen voor families, zzp-ers en ouderen en complotdenken. Soms werden de demonstraties misbruikt door met name een coalitie van normaliter rivaliserende voetbalhooligans, die gezamenlijk de gewelddadige confrontatie met politie zochten – deze coalitie demonstreerde overigens ook bij standbeelden als reactie op antiracismedemonstraties in Nederland. Behalve de relatief brede, gemêleerde activistische bovenlaag bestaat er een radicale onderstroom met extremistische gedragingen, zoals het belagen van politici en journalisten, het intimideren van politiemensen of de online publicatie van doxing-lijsten vanuit online anti-overheidsinitiatieven met daarop persoonsgegevens van politie en politici.

groepen boze burgers zoeken ook aansluiting bij bijvoorbeeld de aanhoudende boerenprotesten. In tegenstelling tot de grootschalige boerenprotesten vorig jaar wordt het boerenprotest meer kleinschalig en grimmig. Bij een gedeelte van de boeren is sprake van een zekere verharding, bijvoorbeeld door het uiten van dreigementen richting politici, journalisten en andersdenkende medeboeren. Aansluiting van verschillende groepen met verschillende grieven, verbonden door anti-overheidsdenken, kan verharding in de hand werken. Zo doneert de ultraconservatieve uitgeverij De Blauwe Tijger een doorgeefluik van anti-overheidspropaganda, nepnieuws en complottheorieën, geld aan een boerenactiegroep. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

Update marinemissie bij de Straat van Hormuz

Het marinefregat Zr. Ms. De Ruyter vertrekt op dinsdag 28 januari naar de Golfregio om deel te nemen aan EMASOH, een door Frankrijk geleide maritime awareness-missie in en bij de Straat van Hormuz. Zie ook deze pagina en de Artikel 100-brief. Onderstaand enkele updates van het kabinet op de eerdere mededelingen aan de Tweede Kamer.

(Passages uit een Kamerbrief d.d. 24 januari 2020)

(…)

Mandaat en optreden

In het algemeen overleg over de Nederlandse bijdrage aan EMASOH waren er vanuit uw Kamer veel vragen over de mogelijkheden voor het schip om, indien nodig, op te kunnen treden. Het kabinet wil nog eens benadrukken dat het oogmerk van de inzet is om escalatie te voorkomen. Preventie van incidenten en de-escalatie van spanningen zijn hierbij de uitgangspunten. Het oogmerk en de uitgangspunten van de missie zijn ten behoeve van het operationele niveau vertaald naar een gezamenlijke set van Rules of Engagement (ROE’s). De door Frankrijk voorziene set ROE’s sluit aan bij de set die Nederland voor deze inzet voorziet. 

Ten aanzien van het optreden is er een onderscheid tussen het optreden in territoriale wateren en internationale wateren. In territoriale wateren geldt het recht op onschuldige doorvaart en indien nodig het recht op zelfverdediging. Het fregat zal zich echter alleen in territoriale wateren bevinden bij doortocht door de Straat van Hormuz (de Straat bestaat uit de territoriale wateren van Iran en Oman). Voor het optreden in internationale wateren geldt dat het fregat schepen te hulp kan schieten indien deze door niet-statelijke actoren worden geboard of er geweld tegen hen wordt gebruikt. Indien een schip wordt aangevallen door een statelijke actor mag het fregat enkel optreden wanneer het fregat zich in de nabijheid bevindt en op tijd tussenbeide gekomen kan worden. Het fregat mag niet optreden tegen boarden van commerciële schepen door een statelijke actor, aangezien dit niet geldt als een aanval.

Medische Evacuatie

Uw Kamer heeft gevraagd om toe te lichten hoe de medische zorg voor de bemanning van het schip geregeld is. Bij het inrichten van de medische keten bij landoperaties is het 10-1-2 principe het uitgangspunt. Dit principe is echter bij maritieme operaties gezien de geografische factoren niet altijd uitvoerbaar. Daarom wordt bij maritieme operaties gestreefd naar een keten die zo dicht mogelijk bij het 10-1-2- principe aansluit. De eerste opvang aan boord is afgedekt door de Medische Actiedienst (MAD) bestaande uit een Algemeen Militair Verpleegkundige en de scheepsarts. Voor de 2e lijns-zorg zal worden teruggevallen op het centraal in het operatiegebied gelegen ziekenhuis “Zayed Military Hospital” in Abu Dhabi. De toegang tot het ziekenhuis is geregeld via het hoofdkwartier te Abu Dhabi. De Franse Senior Medical Officer zal als liaison functioneren. De in het hoofdkwartier geplaatste stafofficieren zijn welkom bij de Franse Role 1. 

De bereikbaarheid van het hospitaal is onder meer afhankelijk van de te overbruggen afstand en de weersomstandigheden alsmede de beschikbaarheid van de boordhelikopter. Eventueel kan worden teruggevallen op dichtstbijzijnde hospitalen aan de wal. Indien de boordhelikopter door de weersomstandigheden of andere reden niet kan worden ingezet wordt de medische afvoer geregeld via de internationale Rescue Coördinaten Centres in de verschillende landen.  

Luchtsteun 

Ten aanzien van de vraag of in geval van nood in luchtsteun kan worden voorzien benadrukt het Kabinet dat de missie gericht is op de-escalatie en de dreiging voor het schip en de bemanning als laag wordt ingeschat. De Zr. Ms. De Ruyter, een luchtverdedigings- en commandofregat, beschikt over voldoende capaciteiten om een eventuele dreiging bijtijds te onderkennen en zichzelf daartegen te verdedigen. Voor het onwaarschijnlijke scenario dat luchtsteun benodigd is, zijn met de Franse partner afspraken gemaakt over de procedure voor het aanvragen van luchtsteun van in de regio gestationeerde Franse vliegtuigen. 

 Tolken 

Voor de EMASOH-missie zal er gebruik worden gemaakt van tolken die Arabisch en Farsi beheersen. Deze worden gestationeerd aan boord van Zr. Ms. De Ruyter.

Vragen vaste Kamercommissie Defensie 

De vaste commissie voor Defensie verzocht de minister van Defensie op 20 januari om een brief waarin waarin tevens wordt ingegaan op eventuele technische problemen van Zr. Ms. De Ruyter en de inzet van het Franse vliegdekschip Charles de Gaulle. De vragen omtrent het besluit tot deelname aan de missie en het mandaat zijn reeds in het voorgaande beantwoord. 

Gereedheid de Ruyter

Zr. Ms. De Ruyter is missie-gereed. Tijdens reguliere inspecties is slijtage geconstateerd in een van de tandwielkasten. De Commandant  Zeestrijdkrachten heeft mitigerende maatregelen genomen door het uitvoeren van een tijdelijke reparatie en het preventief invoeren van een vaartrestrictie van enkele knopen voor de maximale vaarsnelheid voor normaal gebruik. Deze vaartrestrictie levert geen operationele beperkingen op en heeft geen gevolgen voor de duur van de heen- en terugreis. Voor operationele omstandigheden kan het schip beschikken over de maximale vaarsnelheid. Vervanging van de tandwielkast duurt 20 tot 24 weken en vindt plaats tijdens het benoemd onderhoud na de missie.

(…)

 

Zr. Ms. De Ruyter

LCF-fregat Zr. Ms. de Ruyter

Geplaatst in marine, Militaire missies Nederland | Tags: , , | 1 reactie

Kamervragen (+ antwoorden kabinet) over de marinemissie bij de Straat van Hormuz

Selectie uit de 214 vragen die leden van de Tweede Kamer stelden over de artikel 100-brief van het kabinet over de voorgenomen mariniemissie in en bij de Straat van Hormuz. Voor de volledige lijst van vragen en antwoorden: klik hier.

Wat voegt de missie onder Franse leiding toe aan de militaire operatie van de VS die reeds in het gebied operationeel is?

De Nederlandse inzet geschiedt complementair aan de reeds bestaande militaire aanwezigheid ter bevordering van de maritieme veiligheid in de Golfregio. Het kabinet heeft daarbij bewust gekozen voor inzet via EMASOH, aangezien deze missie een brede strategie omvat met inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor. Hiermee zet  EMASOH in op preventie en de-escalatie en sluit daarmee aan op de uitgangspunten van het kabinet. Daarnaast wordt met het Europees geleide initiatief het belang dat Europa hecht aan de vrije doorvaart onderstreept. Het International Maritime Security Construct (IMSC) zet alleen in op een militair spoor.

Biedt het mandaat ruimte aan de deelnemende schepen om zelf ook actief in te grijpen in geval een koopvaardijschip of olietanker aangevallen wordt?

Als koopvaardijschepen worden aangevallen of geënterd door niet-statelijke actoren, mag het fregat te hulp komen als die hulp wordt ingeroepen. In dergelijke gevallen wordt aangenomen dat sprake is van piraterij. Onder het te hulp komen valt ook het eventueel bevrijden van het koopvaardijschip. Als koopvaardijschepen worden geënterd door statelijke actoren, mag niet worden ingegrepen. Het is op dat moment immers niet ter plaatse vast te stellen of de actie van de statelijke actor rechtmatig is en het oplossen van de situatie langs diplomatieke weg ligt in dergelijke gevallen voor de hand. Als koopvaardijschepen het slachtoffer (dreigen te) worden van geweldgebruik door statelijke actoren is het te hulp komen van het koopvaardijschip, gelet op de afstanden, alleen mogelijk als het fregat ter plaatse is.

Erkent Iran het operatiegebied de jure én de facto als internationale wateren?

Iran claimt territoriale wateren tot 12 zeemijl vanaf de kust en een aansluitende zone tot 24 zeemijl vanaf de kust. Iran is geen partij bij het VN-Zeerechtverdrag en erkent niet het gewoonterechtelijk karakter van het recht op doortocht zoals neergelegd in het VN-Zeerechtverdrag. Iran neemt het standpunt in dat, ten behoeve van waarborging van zijn veiligheidsbelangen, van vreemde oorlogsschepen die toegang tot zijn territoriale zee willen voorafgaande toestemming kan worden geëist. Betwijfeld wordt of de basislijnen zoals door Iran aangegeven op alle punten overeenkomen met de voorwaarden zoals neergelegd in het VN-Zeerechtverdrag. Daarnaast is niet geheel duidelijk welke rechten Iran in de aansluitende zone claimt en in hoeverre die afwijken van het VN-Zeerechtverdrag

Wat zijn de instructies voor EMASOH wanneer IMSC onverhoopt in een conflictsituatie betrokken raakt?

Dit is momenteel onderwerp van overleg tussen Frankrijk en de Verenigde Staten. Afspraken hierover worden voor aankomst in het operatiegebied afgerond.

Welke andere landen heeft Frankrijk benaderd om deel te nemen aan EMASOH?

Frankrijk heeft 12 Europese landen benaderd om deel te nemen aan EMASOH. Denemarken en Duitsland hebben zich hierover publiekelijk uitgesproken; de andere benaderde landen (nog) niet.

Hoe en door wie zal worden besloten om het Nederlandse fregat in te zetten voor escortes van koopvaardijschepen?

Het is op dit moment niet voorzien om het fregat in te zetten voor escortes van Nederlands gevlagde schepen. Escorteren valt, gezien het de-escalerende karakter van de missie, buiten het mandaat van EMASOH. Van escorte gaat een sterk politiek signaal uit. Deelnemende landen zouden, indien wenselijk en binnen de kaders van het zeerecht, onder nationaal bevel kunnen escorteren. Mochten ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, beziet het kabinet aldus in hoeverre escorte wenselijk is.

Is er zicht op hoeveel Nederlandse commerciële scheepsbewegingen per jaar plaatsvinden in de Golfregio?

Wekelijks varen er gemiddeld circa 10 Nederlands gevlagde schepen door de Golf van Oman en Straat van Hormuz. Daarnaast is er doorlopend een variërend aantal Nederlandse schepen dat in de regio langdurige werkzaamheden verricht. Het gaat hierbij gemiddeld om circa 10-30 schepen.

Heeft de regering contact met reders, baggeraars en andere Nederlandse bedrijven die actief zijn in de regio, en zich grote zorgen maken over de veiligheidssituatie? Kunt u aangeven hoe zij de inzet van de regering beoordelen?

Het kabinet staat in nauw contact met Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR). De KVNR verwelkomt de Nederlandse bijdrage aan EMASOH. De KVNR heeft aangegeven dat de koopvaardij het meeste baat heeft bij de-escalatie. In de ogen van de KVNR is de Nederlandse bijdrage hier nadrukkelijk op gericht, en toont Nederland met de bijdrage pal te staan voor de bescherming van de zeeschepen onder Nederlandse vlag. Volgens de KVRN laat de inzet zien dat Nederland hecht aan de onbelemmerde internationale doorvaart.

Hoeveel van de olie die dagelijks door de Straat van Hormuz wordt vervoerd, wordt geïmporteerd door Nederland?

Om hoeveel liter dit precies gaat valt niet te zeggen op basis van beschikbare gegevens. De dagelijkse doorvoer van olie door de Straat van Hormuz bedroeg in 2018 ca. 20 miljoen vaten – dat staat gelijk aan 20% van de wereldwijde olieconsumptie (IEA).

In 2014 was bijna 20% van Nederlandse import van ruwe aardolie (11.286 miljoen kilogram) afkomstig uit Saoedi-Arabië, Koeweit en Irak (CBS.nl). Deze landen exporteren het gros van hun olie via de Straat van Hormuz.

Sluit het IMSC niet aan bij uw uitgangspunten, te weten preventie van verdere incidenten en de-escalatie van de spanningen? Zo nee, waarom niet?

Er is bewust gekozen voor inzet in een Europees-geleide maritieme missie, aangezien deze missie in tegenstelling tot het IMSC, een brede strategie omvat met inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor. Hiermee zet de missie geïntegreerd in op zowel preventie van verdere incidenten als op de-escalatie van de regionale spanningen. Met deelname aan EMASOH worden politieke risico’s zo veel mogelijk gemitigeerd door hiermee rekening te houden in het ontwerp van de missie, de strategische communicatie rondom de missie en het diplomatieke spoor.

Kan toegelicht worden hoe EMASOH autonoom opereert van IMSC?

De operaties EMASOH en IMSC worden ieder geleid vanuit een eigen hoofdkwartier. Voor EMASOH is dat in Abu Dhabi, voor IMSC is dat in Bahrein. Beide missies opereren apart van elkaar en hebben ook verschillende taken. EMASOH zet in op twee sporen, een diplomatiek en een militair. Militair is de missie de-escalerend en gericht op het verkrijgen van “situational awareness” door middel van het monitoren, identificeren, registreren en analyseren van scheepsbewegingen in de Straat van Hormuz. Het IMSC zet in op één militair spoor en opereert in een groter gebied, waar ook de Straat Bab al-Mandab onder valt. EMASOH beperkt zich tot de Straat van Hormuz.

Onder de taken van IMSC valt ook het escorteren van koopvaardijschepen. Dat is voor EMASOH niet het geval. Zowel EMASOH als IMSC streven uiteindelijk een ongehinderde vrije doorvaart van scheepvaart door de Straat van Hormuz na.

Hoe groot acht u de kans dat Iran deze missie opvat als een bijdrage aan de Amerikaanse maximale drukcampagne? Kunt u nadere toelichting geven over hoe (1) het ontwerp van de missie, (2) de strategische communicatie rondom de missie en (3) het diplomatieke spoor eraan bijdragen dat dit risico zoveel mogelijk wordt gemitigeerd?

In de contacten met Iran is duidelijk gemaakt dat de Nederlandse inzet losstaat van de Amerikaanse maximale drukcampagne.

Het ontwerp van de missie draagt hieraan bij door de inzet op preventie van incidenten, inzet op de-escalatie en samenwerking met Europese bondgenoten.  Het diplomatieke spoor van de missie is gericht op het bevorderen van bewustzijn, (regionale) dialoog en samenwerking ten aanzien van maritieme veiligheidszaken tussen alle belanghebbenden in de Golfregio. Ook zal Nederland in verdere bilaterale contacten met Iran de uitgangspunten van de Nederlandse inzet blijven benadrukken.

Waaruit bestaat de materiële bijdrage van Frankrijk aan de missie?

De Franse bijdrage aan EMASOH bestaat uit één fregat en één militair maritiem patrouillevliegtuig. Tevens faciliteert Frankrijk het hoofdkwartier en leveren zij de kern van de staf voor het hoofdkwartier.  Logistieke ondersteuning van de deelnemende landen in EMASOH is een nationale verantwoordelijkheid. Vanuit Abu Dhabi ondersteunt Frankrijk de logistiek (bijv. havenfaciliteiten, brandstof, onderhoud, geconditioneerde hangaar, en accommodatie voor de staf) van de deelnemende landen.

Heeft een militair schip recht op vrije doorgang door de Straat van Hormuz? Zo ja, waar blijkt dat uit het internationaal recht? Zo nee, hoe is dat dan geregeld?

De bepalingen omtrent doortocht door internationale zeestraten zijn vastgelegd in de artikelen 37 tot en met 44 van het VN-Zeerechtverdrag. Artikel 38, dat het recht op doortocht vastlegt, geeft aan dat alle schepen en vliegtuigen gebruik mogen maken van dit recht. Het internationaal recht bevat geen uitzondering hierop voor militaire schepen of vliegtuigen. In dit geval hebben dus ook militaire schepen dit recht, mits zij voldoen aan de door het verdrag gestelde voorwaarden die gelden voor alle schepen die gebruik wensen te maken van het recht op doortocht. Iran is geen partij bij het VN-Zeerechtverdrag en erkent niet het gewoonterechtelijk karakter van het recht op doortocht.

(volledige lijst van vragen en antwoorden: klik hier)

Geplaatst in Defensie, Militaire missies Nederland | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Artikel 100-brief maritieme missie Golfregio

Aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag

Datum 29 november 2019  

Betreft Nederlandse bijdrage ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio

Geachte voorzitter, 

Op 15 juli 2019 is uw Kamer door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie middels een Kennisgevingsbrief geïnformeerd over de ontvangst van een schriftelijk verzoek van de Verenigde Staten waarin wordt gevraagd om met daarvoor geschikte middelen een bijdrage te leveren aan het waarborgen van vrije en veilige doorvaart en doortocht in de Golfregio. In de genoemde Kennisgevingsbrief werd tevens gemeld dat het kabinet de wenselijkheid en mogelijkheid onderzoekt om aan dit verzoek tegemoet te komen teneinde bij te dragen aan een verhoging van de maritieme veiligheid in de Golfregio. 

In overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet en met verwijzing naar de Kamerbrief over ontwikkelingen sinds verzending van de ‘Samenhangbrief’ (Kamerstuk 29 521 nr. 381) informeren wij u hierbij over het besluit van het kabinet om met een schip bij te dragen aan de Europees-geleide maritieme missie, genaamd European-Led mission Awareness Strait of Hormuz (EMASOH), ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio. 

Essentie  

Het onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan maritieme veiligheid in de Golf, volgde op de incidenten die in mei en juni van dit jaar plaatsvonden in de Golf van Oman en de Straat van Hormuz, waarbij in totaal zes olietankers door explosies beschadigd raakten. Ook werden in juli een tweetal olietankers in de Straat van Hormuz geconfisqueerd, waarbij de Mesdar (Liberiaans gevlagd, eigendom Britse rederij) nog dezelfde dag werd vrijgegeven terwijl de Brits gevlagde Stena Impero ruim twee maanden werd vastgehouden. 

Het kabinet acht het waarschijnlijk dat Iran betrokken is bij deze aanvallen. De aanvallen vormden de aanleiding voor het verzoek van de VS.

De incidenten onderstrepen de hoge mate van urgentie om de vrije doorvaart in de regio veilig te stellen. De hoeveelheid olie die dagelijks door de Straat van Hormuz wordt vervoerd komt overeen met ruim 20% van de wereldvraag en behelst ongeveer 35% van alle olie die dagelijks per schip wordt vervoerd. Incidenten die de scheepvaart ontregelen, en de onzekerheid daaromtrent, hebben directe gevolgen. Dat blijkt ook uit de onmiddellijke stijging van de olieprijzen na de incidenten met olietankers in mei en juni. Grote prijsschommelingen en toenemende onzekerheid zijn schadelijk voor de wereldeconomie en daar is Nederland als exportland extra gevoelig voor. Ook de Nederlandse rederijvereniging heeft zijn zorgen geuit over de aanhoudende onzekerheid, die onder andere tot een tienvoudige stijging van de verzekeringspremies heeft geleid. De rederijvereniging heeft aangegeven dat door de aanhoudende spanningen, de bewegingsvrijheid in de Golfregio beperkt is. Voor de Nederlands gevlagde schepen in de regio is de dreiging voelbaar en zijn veiligheid van de scheepvaart en het voorkomen van verdere escalatie de belangrijkste prioriteiten. Waarborging van de continuïteit en veiligheid van al het maritieme verkeer in de Golfregio is dan ook nadrukkelijk in het Nederlands belang.

Naar aanleiding van de voornoemde incidenten, zijn verschillende veiligheidsinitiatieven tot stand gekomen. Zo leidt de VS een maritieme missie in de Golfregio – het International Maritime Security Construct (hierna: IMSC). Frankrijk leidt het initiatief voor een Europees-geleide coalitie voor maritieme veiligheid in de Golfregio (hierna: EMASOH), met inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor. In het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid en wenselijkheid een bijdrage te leveren aan maritieme veiligheid in de Golfregio, heeft het kabinet verschillende inzetopties overwogen. Uitgangspunten hierbij zijn preventie van verdere incidenten en de-escalatie van de spanningen. EMASOH omvat een brede strategie berustend op twee pilaren: inzet van militaire capaciteiten van deelnemende landen in een maritime surveillance & situational awareness missie en de inzet van diplomatieke kanalen voor het de-escaleren van de spanningen o.a. door het streven naar van een inclusieve regionale dialoog. De missie bestaat uit een coalitie van Europese partners en opereert autonoom van het IMSC. De Europees-geleide maritieme missie sluit hiermee aan op de uitgangspunten van het kabinet. 

In het licht van het voorgaande heeft het kabinet besloten om met ingang van eind januari tot eind juni 2020, inclusief de uit- en thuisreis van enkele weken, een schip met boordhelikopter en een aantal stafofficieren voor het Frans geleide hoofdkwartier in te zetten ter versterking van de maritieme veiligheid in de Golfregio. Het schip zal onderdeel worden van de Europees-geleide maritieme missie. 

Gronden voor deelname 

De incidenten in de Straat van Hormuz en Golf van Oman, met grote gevolgen op de wereldeconomie en voor de Nederlandse reders, raken direct Nederlandse veiligheids- en economische belangen. Het waarborgen van de vrije en veilige doorvaart van al het maritieme verkeer in dit gebied is dan ook nadrukkelijk in het Nederlands belang. 

Met een deelname aan EMASOH draagt Nederland bij aan de naleving van het internationale recht op vrije doorvaart en doortocht en de bevordering van de internationale rechtsorde. Dit ten behoeve van de schepen die onder de vlag van het Koninkrijk dagelijks gebruik maken van deze belangrijke zeevaartroute, maar ook ten behoeve van de schepen die onder de vlag varen van onze (Europese) bondgenoten en partners. Het kabinet hecht aan de rol van Nederland als betrouwbare partner en de Nederlandse fair share als het gaat om inzet van de krijgsmacht, zoals aangegeven in de Gemeenschappelijke Buitenland- en Veiligheidsstrategie (GBVS) en de Defensienota. In dat kader streeft Nederland naar een proportionele bijdrage aan de internationale inspanningen om dreigingen voor Europa en Nederland tegen te gaan en de internationale rechtsorde te versterken. Met een bijdrage aan de maritieme veiligheid in de Golfregio, toont Nederland zich solidair jegens Europese bondgenoten, en levert het een bijdrage aan een Europa dat verantwoordelijkheid neemt voor het belang van veilige doorvaart in de Golfregio. Ten slotte wil Nederland actief bij blijven dragen aan het waarborgen van veiligheid in een reeds volatiele regio. 

Met de inzet van een marineschip via EMASOH, beoogt het kabinet een preventief effect te sorteren om op die manier bij te dragen aan het voorkomen van verdere acties van welke actor dan ook tegen commerciële schepen en de daarmee samenhangende toename van verder oplopende spanningen. Ook zal de aanwezigheid een versterking van de Nederlandse informatiepositie opleveren die gezien de spanningen in de regio zeer waardevol is. Zoals gezegd berust de missie op twee sporen: een operationeel spoor en een diplomatiek spoor. Via het diplomatieke spoor zal het kabinet zich aldus, parallel aan de militaire bijdrage, blijven inzetten voor de-escalatie van de spanningen. Hiermee beoogt de missie, conform Nederlandse uitgangspunten, een multidimensionale en geïntegreerde aanpak van de maritieme veiligheid in de Golfregio.

Politieke aspecten 

Huidige politieke context 

De politieke spanningen in de Golf zijn de afgelopen maanden hoogopgelopen. De Iraanse destabiliserende invloed in de regio, de Amerikaanse terugtrekking uit de nucleaire deal met Iran, het Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA), de Iraanse overschrijdingen en de door de VS geïnitieerde maximale drukcampagne tegen Iran hebben de verhoudingen in de regio onder druk gezet. De stabiliteit en veiligheid van de scheepvaart in de Straat van Hormuz en Golf van Oman is door verschillende incidenten afgelopen zomer in het geding gekomen.  Met een deelname aan een Europees geleidde missie, wordt de Nederlandse inzet ook niet geassocieerd met de maximale drukcampagne van de VS tegen Iran. Hiermee worden politieke risico’s zo goed mogelijk gemitigeerd.

Nederlandse inzet JCPOA 

Voor het kabinet staat het behoud van het JCPOA voorop. Nederland draagt dan ook bij aan het voortbestaan ervan, onder andere door in te zetten op behoud van de economische voordelen voor Iran die onderdeel zijn van de afspraken van het JCPOA. In deze context zal Nederland zoals gezamenlijk aangekondigd op 29 november 2019 met België, Denemarken, Noorwegen, Finland en Zweden aandeelhouder worden van het Instrument in Support of Trade Exchanges (INSTEX), het Special Purpose Vehicle voor Iran waarmee legitieme handel tussen de EU en Iran wordt gefaciliteerd (Frankrijk, Duitsland, het VK hadden dit mechanisme op 31 januari 2019 reeds opgericht). Door toe te treden als aandeelhouder geeft Nederland invulling aan de gebalanceerde Nederlandse inzet en de blijvende steun voor het JCPOA. Ook wordt het effect van onrechtmatige extraterritoriale werking van VS-sancties op het Nederlands bedrijfsleven beperkt. Het kabinet geeft rekenschap van het feit dat de belangen van het Nederlands bedrijfsleven in de VS een veelvoud betreffen van de belangen in Iran. Bedrijven zullen hun eigen commerciële afweging blijven maken hierin. INSTEX zal daarom geen volledige oplossing bieden, maar is een belangrijke stap binnen de Europese maatregelen om het JCPOA in stand te houden. 

Het akkoord is namelijk van groot veiligheidsbelang voor Nederland en Europa. Het blijft de beste manier om een Iraans kernwapen te voorkomen, op basis van een ongeëvenaard en strikt verificatieregime van het IAEA. Nederland betreurt dan ook de Amerikaanse terugtrekking uit het akkoord. Als gevolg hiervan onderhouden de huidige deelnemers van het JCPOA een zeer precaire balans in het overeind houden van het akkoord. Iran zet het nucleaire akkoord verder onder druk door bepaalde onderdelen ervan niet meer na te leven omdat Iran van mening is dat andere partijen bij het akkoord ook hun verplichtingen niet nakomen. Daar spreekt het kabinet met grote regelmaat zijn zorgen over uit. 

Nederland hanteert een inzet van kritisch engagement met Iran en spreekt Iran waar nodig aan, maar zoekt ook samenwerking op terreinen waar dat mogelijk en in Nederlands belang is. Daarom steunt Nederland het JCPOA en zoekt Nederland de samenwerking met o.a. Iran voor de instandhouding ervan. Ook zal Nederland zorgen blijven adresseren ten aanzien van bijvoorbeeld het Iraanse ballistische raketprogramma, de Iraanse rol in de regio en mensenrechtenschendingen. Deze gemixte inzet van kritisch engagement is wezenlijk anders dan het Amerikaanse beleid van maximale druk. 

Aandachtspunten

Hoewel de missie expliciet geen onderdeel uitmaakt van de door VS-geleide IMSC en het, gezien de inzet op zowel operationeel als diplomatiek spoor nadrukkelijk een de-escalatoir karakter heeft, is het niet ondenkbaar dat Iran ervoor kiest de missie op te vatten als een bijdrage aan de Amerikaanse maximale drukcampagne tegen Iran. Het ontwerp van de missie, de strategische communicatie rondom de missie en het diplomatieke spoor mitigeren dit risico. 

Iran vindt dat Europa te weinig levert om het nucleaire akkoord in stand te houden. Ook hier kan Iran ervoor kiezen om het aansluiten bij een maritieme missie op te vatten als een verdere afname van het Nederlandse en Europese politieke commitment aan het akkoord – wat risico’s op uiteenvallen van het akkoord met zich mee brengt. De inzet ter versterking van maritieme veiligheid in de Golfregio staat echter volledig los van de Nederlandse steun voor JCPOA. Dat Iran de inzet mogelijk zal uitleggen als een provocatie moet worden afgezet tegen het risico dat Iran de commerciële scheepvaart zal blijven ontregelen indien er geen maatregelen worden genomen. Ook hier gelden de diplomatieke dialoog, het ontwerp van de missie en de strategische communicatie daaromtrent als mitigerende maatregelen.
Nederland is kritisch ten opzichte van veel aspecten van het gedrag van Iran (o.m. mensenrechten, ballistische raketprogramma, destabiliserende rol in de regio). Het kabinet spreekt Iran hierop ook aan in een kritische dialoog, o.m. en marge van de AVVN bij een onderhoud van Minister Blok met zijn ambtgenoot Zarif. Een Nederlandse bijdrage aan een (bredere) Europees-geleide maritieme missie samen met Europese ondertekenaars van het JCPOA, zal gericht zijn op het bewaken van vrijheid van navigatie ten behoeve van vrije en onbelemmerde doorvoer. Hiermee is de bijdrage niet gericht op verhogen van spanningen en staat het nadrukkelijk los van de Amerikaanse maximale drukcampagne tegen Iran. 

Bij een eventuele escalatie van de situatie in de regio kan Nederland eigenstandig beslissen om de inzet te beëindigen en terug te keren. Er wordt bewust gekozen voor inzet in een  Europees-geleide maritieme missie, zodat de inzet niet geassocieerd wordt met de Amerikaanse maximum pressure campagne. Ook is het van belang om bij de landen in de regio de boodschap af te geven dat de Nederlandse inzet louter is gericht op het veiligstellen van het recht op vrije doorvaart. 

Mandaat 

Het juridisch kader voor inzet van het fregat, met boordhelikopter, is het internationale zeerecht, in het bijzonder het VN-Zeerechtverdrag. Er kan enkel sprake zijn van zelfverdediging. Het fregat met haar helikopter opereert te allen tijde onder de eigen, nationale geweldsinstructie (rules of engagement) die voldoende ruimte geeft voor zelfverdediging. 

Deelnemende landen 

Frankrijk heeft 12 Europese landen benaderd. De nationale besluitvormingsprocedures in deze landen lopen nog. Onder andere Denemarken heeft zich positief geuit over EMASOH.

Invloed 

Politieke sturing en controle vinden plaats in reguliere bijeenkomsten van vertegenwoordigers van deelnemende staten, een zogenoemd ‘’Political Contact Group (PCG)’’, die in ministerieel of ambtelijk verband bij elkaar kan komen. Hiermee behoudt Nederland te allen tijde invloed op (de nadere invulling van) het mandaat, de wijze van uitvoering en de duur van de operatie. 

Militaire aspecten

Nederlandse bijdrage
Inzet van een fregat met boordhelikopter en een aantal stafofficieren voor het Frans geleide hoofdkwartier. 

Haalbaarheid
De beoogde militaire missie gaat uit van “light footprint’’ bestaande uit maximaal twee schepen en één of meer vliegtuigen. De missie kent een relatief klein operatiegebied bestaande uit het westelijke deel van de Golf van Oman (internationale wateren), de Straat van Hormuz zelf (internationale zeestraat) en het oostelijke deel van de PerzischeGolf (internationale wateren). Het is op dit moment niet voorzien om het fregat in te zetten voor escortes van Nederlands gevlagde schepen door bijv. de Straat van Hormuz, wat – indien wenselijk – enkel buiten de missie onder nationaal bevel kan gebeuren.

Zr. Ms. De Ruyter

LCF-fregat Zr. Ms. de Ruyter

Geweldsinstructie

T.b.v. het operationele niveau wordt het missiedoel vertaald naar een (zo veel als mogelijk) gezamenlijke set van Rules of Engagement (ROE’s). De door Frankrijk voorziene set ROE’s sluit aan bij de set die Nederland voor deze inzet voorziet. Tenslotte is er in algemene zin sprake van spanningen in de regio, wat gevolgen kan hebben voor veiligheidssituatie en de mogelijk daaruit voortvloeiende risico’s voor het fregat. Dit wordt voortdurend in de gaten gehouden om hierop te kunnen anticiperen.

Bevelstructuur

Bij de inzet behoud de Commandant der Strijdkrachten te allen tijde Full Command (FULLCOM) over de Nederlandse eenheden. De Nederlandse bijdrage komt onder lokaal commando van de Commandant van het Fleet Headquarter  (FHQ) dat momenteel wordt opgezet en deel zal uitmaken van het bestaande Franse Joint Hoofdkwartier in Abu Dhabi. Het FHQ zal eind 2019 Initial Operational Capable (IOC) en eind januari Full Operational Capable (FOC) zijn. De logistieke ondersteuning valt eveneens onder de nationale bevelsstructuur waarbij waar mogelijk wordt samengewerkt met de andere deelnemers binnen de missie. 

Duur van de deelname
De inzet van een fregat is mogelijk tussen januari en juni 2020. In verband met onderhoud moet het fregat eind juni terug zijn in Den Helder. Indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven beziet het kabinet of en zo ja onder welke voorwaarden een verlenging of wijziging van de inzet wenselijk wordt geacht. Hierbij zullen de consequenties voor de gereedstelling en de verdringingseffecten van bestaande verplichtingen en eventuele bijdragen in het kader van een van de drie hoofdtaken van Defensie zorgvuldig worden afgewogen. 

Risico’s

Veiligheid

De militaire missie kent een defensief karakter en beperkt zich tot maritime surveillance & situational awareness. Er bestaat echter de mogelijkheid dat statelijke actoren in de regio irregulier optreden, waardoor deze moeilijk te onderscheiden zijn van niet-statelijke actoren. In voorkomend geval kan het fregat zichzelf verdedigen. Met een goede informatiepositie kan dit risico echter tot een minimum worden beperkt.

Medisch

De bekende planmatige 10-1-2 afdekking is bij maritieme operaties gezien de geografische factoren niet uitvoerbaar en ook niet van kracht. Er wordt gestreefd naar een keten die hier zo dicht mogelijk bij aansluit. De tijdslijn voor chirurgische hulp zal echter in veel gevallen niet gehaald worden. Aan boord is door de Medische Actiedienst (MAD), de aanwezige Algemeen militair Verpleegkundige en de scheepsarts de eerste opvang goed afgedekt. Voor de 2e lijns-zorg wordt, zoals gebruikelijk bij maritieme operaties, teruggevallen op hospitalen op de wal. De aanwezige boordhelikopter kan worden gebruikt voor tijdige afvoer van een patiënt.

Dreiging

De huidige politieke spanningen hebben geleid tot enkele geweldsincidenten. Een Nederlands schip in de regio kan in theorie te maken krijgen met vergelijkbare vormen van geweld. Die dreiging wordt echter laag ingeschat omdat de Iran vermoedelijk niet uit is op escalatie. Wel zal de aandacht van Iran voor Nederland en specifiek het ingezette fregat toenemen. Diverse specifieke dreigingen, zoals cyberspionage en –sabotage, zijn onderzocht, zonder ernstige constateringen. De geconstateerde dreigingen hangen samen met de door de Nederlandse eenheden en militairen genomen voorzorgsmaatregelen. 

Gevolgen voor gereedheid en geoefendheid 

Het fregat kan zonder aanvullende gereedstelling worden ingezet. Dit betekent echter dat NLD de maritieme bijdrage aan de NAVO (VJTF) in de eerste helft van 2020 (januari – juni), die tevens deelneemt aan de Standing NATO Maritime Group (SNMG) van februari tot juni, moet terugtrekken. De NAVO moet hierover schriftelijk worden geïnformeerd. Bij inzet in genoemd operatiegebied heeft het fregat geen mogelijkheid om de geoefendheid voor hoofdtaak 1 te voltooien; ook is de inzetduur langer dan deelname aan SNMG en moet na terugkeergroot onderhoud worden uitgevoerd. Beide factoren hebben verdringing van geplande gereedstellingsactiviteiten in de tweede helft van 2020 tot gevolg. Eventuele consequenties op middellange termijn worden inzichtelijk door het aanpassen van de CZSK operationele jaarplanning 2020 en 2021, waar de Kamer in de halfjaarlijkse inzetbaarheidsrapportage over wordt geïnformeerd.

Nationale Veiligheid

De huidige appreciatie is dat Nederlandse deelname aan EMASOH niet noodzakelijkerwijs leidt tot een wijziging van de risico’s voor de nationale veiligheid. Mogelijke dreigingen vanuit de regio voor de nationale veiligheid bestaan ook los van deelname aan EMASOH. Hierbij valt onder meer te denken aan: optreden tegen in Nederland verblijvende politieke tegenstanders uit de regio, inbreuken op de Nederlandse digitale ruimte of aantasting van de economische veiligheid van Nederland. Inzake risico’s voor Nederlandse belangen in de regio, in het bijzonder die van Nederlandse burgers en bedrijven, geldt dat deze eveneens zouden kunnen bestaan of ontstaan los van deelname aan EMASOH. Met het oog op de nationale veiligheid wordt de situatie blijvend gemonitord.


Financiën

De directe additionele uitgaven van de Nederlandse bijdrage zijn geraamd tussen €10 miljoen en €15 miljoen en worden gefinancierd uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV). De indirecte financiële consequenties van de inzet, zoals ten gevolge van de consequenties voor gereedheid en geoefendheid, worden momenteel in kaart gebracht. In een volgende Kamerbrief wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,               De Minister van Defensie,
Stef Blok                                                                  Ank Bijleveld-Schouten

De Minister voor Buitenlandse Handel            De Minister van Justitie en Veiligheid,
en Ontwikkelingssamenwerking,                      Ferd Grapperhaus
Sigrid A.M. Kaag

(bron: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2019Z23713&did=2019D49012)

Antwoorden op Kamervragen over deze Artikel 100-brief:

Geplaatst in marine, Militaire missies Nederland | Tags: , , | 1 reactie