Handen af van onze kinderen!

Door mijn beroepskeuzes ben ik in de loop der jaren nogal afgestompt geraakt voor ellende. Mijn eerste baan was woordvoerder van de Nederlandse afdeling van Amnesty International, destijds een van de grootste van de beweging. Iedere denkbare martelmethode kwam op mijn bureau terecht. Naarmate de tijd verstrijkt raak je er aan gewend. Sterker nog: ik kan nu wel bekennen dat ik er binnenshuis wel eens grappen over maakte. Helemaal fout natuurlijk, maar zo werkt het proces van gewenning en afstomping. Dat journalisten rare vragen stelden als “heb je voor ons wat dossiers van gemartelde kinderen” hielp natuurlijk ook niet. Hoeveel had je er gehad willen hebben, en heb je nog voorkeur voor bepaalde methodes? Van die dingen…

Later, inmiddels zelf journalist, deed ik verslag van de oorlogen die het voormalige Joegoslavië hebben geteisterd. Ik dacht dat ik bij Amnesty alles wel eens gezien en gehoord had, maar nee. Wist u dat je een oog makkelijk uit de kas kunt wippen met een oestermesje? Ik ook niet, maar het gebeurde daar mooi wel. Bij levende personen, uiteraard. Keel doorsnijden? Heel populair. En vrouwen kun je met een mes heel creatief bewerken. Ik bespaar u de details. Meer in algemene zin raken wij journalisten afgestompt door de voortdurende stroom van slecht nieuws waar we mee te maken hebben. Goed nieuws is geen nieuws (tenzij het echt héél goed nieuws is), negatieve nieuwtjes en ontwikkelingen genieten de voorkeur.

Het bovenstaande moge duidelijk maken dat er heel wat moet gebeuren voordat ik me ergens druk over maak. ‘Been there, done that’, zeggen Britten dan. Toch ben ik gelukkig niet totaal afgestompt, en zijn er nog steeds zaken waarover ik mij druk maak  of zelfs een rode waas voor de ogen krijg.

Laatst was het weer eens raak. Een militair beweerde op Twitter doodleuk dat het prima is wanneer jonge kinderen echte vuurwapens in handen gedrukt krijgen. Dat hoor ik trouwens iedere keer dat ik het waag vraagtekens te zetten bij de gewoonte van Defensie om kinderen te laten ‘spelen’ met echte wapens. Bijvoorbeeld op zogeheten open dagen van de krijgsmachtsonderdelen en bij het militair museum in Soesterberg.

peuter wapen mariniers

Op Twitter verscheen deze foto van een peuter-met-een-vuurwapen, genomen tijdens de recente ‘Gezinsbeurs Wegwijs 2016’ in Rotterdam. De militair op de foto is een kapitein der mariniers. Ik herkende hem omdat hij in de race was voor de titel van ‘Jonge Ambtenaar van het Jaar‘ (en daarbij de publieksprijs won). Op mijn kritiek reageerde hij merkwaardig. Of ik wel eens in het Nationaal Militair Museum was geweest. Of ik wel een hindernisbaan aan zou kunnen*. Dat zijn natuurlijk niet de vragen waar het om draait. Het gaat om de vraag of Defensie kinderen echte wapens in handen mag geven.

Nee, dat mag niet. De Nederlandse wapenwetgeving verbiedt het minderjarigen om vuurwapens voorhanden te hebben. De wetgeving geldt ook voor de krijgsmacht. Militairen die vuurwapens aan kinderen in handen geven, hoe kort ook, maken zich daarmee schuldig aan een de facto of de jure wetsovertreding. Ik laat het graag aan de juristen over welke van de twee opties hier van toepassing is.

Detail: de foto werd genomen op een beurs die mede georganiseerd wordt door het Reformatorisch Dagblad, de spreekbuis van het gezagsgetrouwe (en naar ik aanneem dus ook  wetsgetrouwe) gereformeerde deel van de Nederlandse bevolking. Moet ik nou echt de beursorganisatoren en de kapitein der mariniers gaan uitleggen dat dit een erg ongelukkige setting is om een wetsovertreding-in-de-praktijk aan de bezoekers te tonen? En hoe kan het eigenlijk dat minister Hennis en krijgsmachtsbaas generaal Middendorp oogluikend toestaan dat kinderen ‘hun’ wapens in handen krijgen?

Het is zonder twijfel waar dat jongetjes het hartstikke leuk vinden wanneer ze met een echt wapen mogen spelen. Dat doet niets af aan het feit dat deze praktijk laakbaar en ontoelaatbaar is. Ik zeg tegen de krijgsmacht: handen af van de kinderen!

Tot besluit een andere foto. Dit zijn leerlingen van een VeVa-opleiding. VeVa staat voor ‘Veiligheid en Vakmanschap’. Deze MBO-opleiding op ROC’s is een belangrijke kweekvijver voor toekomstige militairen in de lagere rangen. Maar die leerlingen krijgen dan weer géén echte wapens in handen. Vraag me niet waarom. De man op de achtergrond (Commandant der Strijdkrachten Generaal Tom Middendorp) kan die vraag vast wel beantwoorden.

veva GEWEERTJE

*PS: in antwoord op de vragen van kapitein Mark Brouwer kan ik antwoorden dat ik nog niet in het NMM ben geweest, en dat ik vroeger in militaire dienst met gemak de stormbaan over ging. Maar dat is alweer een paar decennia geleden.

—————————————–

Nog wat foto’s over dit thema:

 

Geplaatst in Defensie | Tags: , , , , | 1 reactie

Moskou beschuldigt Den Haag van tegenwerken referendum

De woordvoerster van het Russische ministerie van buitenlandse zaken, Maria Zacharova, heeft donderdag felle kritiek geuit op de Nederlandse regering, die zij beschuldigde van het dwarsbomen van het referendum over het EU Associatieverdrag met Oekraïne.  Ook zegt Moskou ‘perplex’ te staan over beschuldigingen dat Rusland de organisatoren van het referendum zou steunen. Onderstaand de letterlijke tekst. Hier en daar heb ik wat woorden ‘vet gemaakt. (HdV)

Developments around the upcoming referendum on ratifying the EU-Ukraine Association Agreement in the Netherlands

In recent days, we have been witnessing very interesting developments around the upcoming referendum on ratifying the EU-Ukraine Association Agreement, which is scheduled to take place in the Netherlands on April 6.

We acknowledge that the official Hague has launched an information campaign in the media with a view to discrediting the very idea of the referendum. Strange as it may seem, the main goal is to do everything to urge the population not to take part in the vote. I will quote one figure to illustrate the trend: the number of voting stations has been more than halved.

The officials did not even shrink from using 200,000 euros from the notorious Soros Foundation (how can one do without it!), which mostly sponsors colour revolutions and government reshuffles in those countries that cannot take care of themselves. All these steps are being made to prevent the quorum of 30 percent, which is a minimum requirement for the referendum results to be considered valid. This goal is absolutely clear because once it is reached the ratification of the agreement by the Netherlands will become a fait accompli.

We are perplexed that these developments are being accompanied by the allegations that “the Moscow hand secretly leads” the advocates of the referendum. This looks like paranoid delusion. One more figure: while it saves money on the referendum in its own country, the Hague has already allocated, without batting an eyelid, 1.5 million euros on combatting the bogey of “Russian propaganda.”

The only move we ventured to make – and Western countries are vigorously fighting against it – is to openly declare our position in the media, expressing the view that the referendum in the Netherlands is a natural reaction to the EU foreign policy, which is being carried out without taking into account public opinion in the EU member countries. The only thing the public wants is to be heard; the public wants its opinion to be heeded, if such a mess has already been made. Putting it mildly, the results of Europe’s lack of independence in international affairs have become a heavy burden on the Europeans. Every European saw the consequences of EU policy in Syria for himself, when the refugees started flocking to Europe.

What has prompted our stand on this issue? What is the rationale for our approach? We are convinced that the voting in the Netherlands, as in any other country, should take place with the observance of all democratic procedures, and that voters should not be subjected to excessive information pressure by the authorities.

Our colleagues in the Netherlands and many other Western countries have based their strategy of criticising Russia, for instance, as regards Crimea, on the premise that the Crimean referendum was illegitimate. Many politicians officially declared that the way a referendum was held was more important than the fact of the referendum as such. No doubt, the declaration of will by the population is of primary importance and it is vitally important to listen to it because citizens should call the shots in their own country. It transpires that the referendum should not have been held in Crimea the way it was held. Allegedly time was needed to prepare it properly. The “proper preparations” for the Dutch referendum is probably an example of the Western view on how the referendum in Crimea should have been “prepared:” the number of voting stations is being reduced and the official authorities are spending huge funds to push through their viewpoint.

In other words, the expression of will by the public should be organised, not when people want and are ready to voice their opinion that had been held back for decades, nor when they have received a chance to be heard, but when, as many Western politicians believe, they are duly “prepared.” Now the Hague authorities are showing us how the referendum in Crimea could have been prepared. After such preparations, the results of the voting would have probably been counted differently. The way this is being done causes major questions. Meanwhile, these are the nations that have always given top priority to the democratic principles of the expression of will by the population.

(Briefing by Foreign Ministry Spokesperson Maria Zakharova, Moscow, February 4, 2016)

Geplaatst in Rusland, Uncategorized | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Paris Attacks: The Acuity of Hindsight

By Scott Stewart

Until Nov. 13, the eight attackers responsible for the night of violence in Paris were just a handful of radical Islamists in a large universe of Islamist radicals in France. Many of these radicals are nonviolent, while a small segment of them are extremists who espouse violence to achieve their radical agenda — the type we refer to as jihadists. Yet even among the jihadists who advocate violence, there are divisions. Some maintain that jihad should be waged only defensively in support of fellow Muslims being oppressed or attacked in places such as Syria. Another subset advocates for attacks in a Western country such as France. Even among the latter group, there are those whose threats are merely hot air and those who are actually willing to act. Even among those willing to attack there are actors who pose different degrees of threat.

For French authorities, sorting through the universe of potential attackers to identify those who pose the greatest risk is a daunting challenge — as it is for any other government. The process is like a shark attempting to select a few fish from among a vast shoal of baitfish swimming in unison. A shark has an incredible sensory array that is extremely effective at identifying prey to be devoured by its rows of formidable teeth. But the shoal provides security by making it next to impossible for the shark to identify the specific individual fish its needs to target.

This is exactly the situation in which the French authorities find themselves. They have incredible intelligence capabilities (sensors) and very capable police and military forces (teeth). Yet, those intelligence and enforcement resources are quite limited and can be overwhelmed by the sheer size of the shoal of potential jihadist attackers.

It requires an incredible amount of resources to maintain live telephone taps on one target, much less 24/7 physical surveillance. This means that security services very quickly reach their capacity. Thus, they need to use risk assessments to rank the potential threats and deploy their resources selectively against those threats deemed the most dangerous. This is especially true in a democratic country such at France, where there is rule of law and one cannot just conduct sweeps to arrest every known potential threat and then sort them out in prison. But frankly, as seen in even authoritarian countries, one simply cannot arrest (or kill) their way out of the problem and, often, draconian measures serve only to fuel anger and resentment, further aiding in radicalization.

Because of this reality, some attackers will slip through the screen, no matter the proficiency of security services. Once they attack, they are immediately removed from the shoal of potential threats and are subjected to an incredible amount of scrutiny. Their electronics will be seized as evidence and searched, and their past travel, associations and communications will be reviewed under a microscope. Under this heavy scrutiny, investigators will undoubtedly find clear warnings and indicators that the attackers were up to no good before the attack. Indeed, we will undoubtedly that some, if not all the attackers had previously come to the attention of the authorities.

To use another analogy, prior to the attack, the authorities had a mountainous pile of puzzle pieces with no frame or reference picture — some of those pieces could have led them to these attackers had they been assembled. But sorting through a gigantic pile of pieces of data and putting those pieces together without a frame of reference is often very difficult. Following this attack, the French authorities now have both the frame and the reference picture, and as they examine individual pieces of information, they will be able to place them into context using the frame of reference and (in retrospect) discover smoking guns.

Many will criticize the French government for missing such obvious clues, but those who do have lost sight of the initial challenge of the shoal of suspects and the vast amounts of data associated with each individual fish. Hindsight can be far more acute than foresight.

(Stratfor, 14 November 2015)

Paris Attacks: The Acuity of Hindsight is republished with permission of Stratfor.

Geplaatst in Terrorisme | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Songs from Stalin’s Gulag

Here are some songs from the Soviet Union labor camps, better known as the Gulag. They come from a LP in my collection, published by the Dutch section of Amnesty International in 1977.

The songs were collected by Hungarian citizen A. Vardy, who was a slave laborer in the Vorkuta mines from 1950-1955.

Part 1:

Part 2:

© 1977 Amnesty International

Geplaatst in human rights, Russian Federation | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Srebrenica 1995: ‘Missing enclave troops found’

[This was the first international news report about Bosnian army troops having escaped from Srebrenica. About the same time, I got direct confirmation about this group from a ICRC delegate in the so-called ‘Sapna Thumb’. He spoke of ‘a few thousand soldiers’ and added the Bosnian authorities didn’t allow him to talk with them, HdV] 

Michael Evans, and Michael Kallenbach in Bonn

Thousands of the “missing” Bosnian Muslim soldiers from Srebrenica who have been at the centre of reports of possible mass executions by the Serbs, are believed to be safe to the northeast of Tuzla. Monitoring the safe escape of Muslim soldiers and civilians from the captured enclaves of Srebrenica and Zepa has proved a nightmare for the United Nations and the International Committee of the Red Cross. For the first time yesterday, however, the Red Cross in Geneva said it had heard from sources i n Bosnia that up to 2,000 Bosnian Government troops were in an area north of Tuzla.

They had made their way there from Srebrenica”without their families being informed”, a spokesman said, adding that it had not been possible to verify the reports because the Bosnian Government refused to allow the Red Cross into the area.

Although the Red Cross refused to speculate why the Bosnian Government was keeping secret the presence of the Srebrenica troops near Tuzla, it probably is doing so for military reasons.

In Germany the Government is embroiled in a bitter wrangle about whether to take in any more Bosnian refugees. The controversy began after, Manfred Kanther, the Interior Minister, suggested that the country should end its policy of giving shelter to refugees from former Yugoslavia. There was, he said. a limit to German generosity.

As the dispute has intensified, there have been outspoken attacks on France for not helping to ease the situation. There was, however no criticism of Britain, which is sheltering about 2,000 refugees. In London, the UN High Commissioner for Refugees appealed to 30 Western governments to find places for 5,000 Bosnian refugees immediately and issued a warning that up to 50,000 places might be needed soon if the situation in the former Yugoslavia were to deteriorate further.

(The Times, 2 August 1995 )

Geplaatst in (former) Yugoslavia | Tags: , | Een reactie plaatsen

Samenvatting NIOD-rapport Srebrenica

[Gepubliceerd in 2002]

Dit is een geautoriseerde samenvatting van de conclusies uit de epiloog van het hoofdrapport Srebrenica – een ‘veilig’ gebied. De cijfers in de linkermarge verwijzen naar de genummerde hoofdpunten uit de epiloog.

(1) In het proces van desintegratie van Joegoslavië in de eerste helft van de jaren 90 is de massamoord op duizenden Bosnische Moslims in Srebrenica een huiveringwekkende en vermoedelijk de meest gewelddadige ontsporing. In dit proces heeft het Groot-Servische streven een grote rol gespeeld. Dit legt een relatief zware verantwoordelijkheid bij de Servische politieke leiders, in het bijzonder bij ex-president Milosevic. De zeer grote verantwoordelijkheid van de Servische leiders voor het geweld waarmee het desintegratieproces gepaard ging, mag de ogen niet doen sluiten voor de verantwoordelijkheid van andere leiders voor de aanwending van geweld. Alle strijdende partijen maakten zich schuldig aan grove geweldsuitoefening. De berichten en beelden van dit geweld wekten in heel Europa afschuw en een sterke roep om ingrijpen door de internationale gemeenschap, waarbij Nederland voorop liep.

(2) Internationale interventies zijn zelden zodanig preventief dat er kan worden ingegrepen vóór ontsporingen plaatsvinden. Als die ontsporingen optreden, drijft het publieke debat erover regeringen vaak tot ingrijpen op morele en humanitaire gronden. Diepgaander analyse naar de achtergronden van brandhaarden en op grond daarvan gewenste maatregelen spelen zelden een hoofdrol. Het feitelijke ingrijpen krijgt zodoende vaker het karakter van “trial and error” dan dat van een doelgerichte uitvoering van een doordacht programma. Hierdoor dragen veel interventieprocessen de kenmerken van “doormodderen”. Zo ook in desintegrerend Joegoslavië. Daarin domineerde – bij gebrek aan een beter alternatief – vanaf het begin van de internationale bemoeienis tot na de val van Srebrenica het “doormodderscenario”.

(2) De belofte van VN-generaal Morillon in 1993 aan de bevolking van Srebrenica dat ze onder bescherming van de VN stond en niet in de steek zou worden gelaten, past in dit beeld van doormodderen. Hij schiep hiermee een voldongen feit, dat door de Veiligheidsraad werd omgezet in het besluit Srebrenica te bestempelen tot ‘safe area’, een nieuw en ongedefinieerd begrip. Niets eraan was duidelijk, behalve dat er in de dominerende lichte optie geen mandaat uit voortvloeide tot een echte militaire verdediging van het gebied of van de bevolking. De aanwezigheid van VN-militairen was veeleer bedoeld als een waarschuwing van de internationale gemeenschap om niet aan te vallen (“to deter by presence“). Voor de bevolking schiep uitroeping van het gebied tot safe area een illusie van veiligheid.

(3) Nederland liep internationaal voorop als ijveraar voor een vorm van interventie. Een mengeling van humanitaire bewogenheid en ambitie heeft de Nederlandse regering ertoe gebracht om in 1993 op eigen initiatief en zonder voorwaarden vooraf een Luchtmobiel Bataljon beschikbaar te stellen voor de UNPROFOR-missie in Bosnië. Hiermee kon Nederland tonen wat het waard was; Nederlands aanzien in de wereld zou stijgen. Dit gebeurde met brede steun vanuit politiek en media en zonder de verregaande consequenties vooraf terdege te analyseren. Mede hierdoor kreeg Nederland de bestemming Srebrenica, een bestemming die door andere landen met kracht van argumenten werd geweigerd.

(3) In het streven naar consensus liet het parlement zich sterk aan het kabinetsbeleid binden. De Tweede Kamer en de kamercommissies werden veelvuldig en gedetailleerd ingelicht, soms ook achter gesloten deuren. Het kabinet werd daardoor gesterkt, maar de kritische en controlerende rol van de volksvertegenwoordiging in belangrijke mate ondergraven. In de politiek en in de media ontbraken kritische geluiden niet – deels ook kwamen die in stevige bewoordingen vanuit de militaire hoek – maar wie kritisch was, liep het gevaar door anderen vanwege onvoldoende moreel besef te worden gediskwalificeerd.

(3) De beslissing om één van de grotere troepenleveranciers te worden aan een vredesmissie, beroerde destijds velen. De roep om ingrijpen op morele gronden domineerde de Nederlandse politiek. Deze humanitaire bewogenheid, tezamen met de ambitie onze geloofwaardigheid en aanzien in de wereld te dienen, dreven Nederland tot het aanbod en de uitzending van de Luchtmobiele Brigade. Door de mogelijke risico’s van het gedrag van strijdende partijen zo sterk te veronachtzamen, hebben een brede kring van betrokkenen bij dit beleid en in het bijzonder de voorvechters daarvan, een grote verantwoordelijkheid op zich geladen. Zo werd Dutchbat in de praktijk uitgezonden:

– Op een missie met een zeer onhelder mandaat
– Naar een gebied omschreven als een ‘safe area’ zonder dat daarvan een duidelijke definitie bestond om vrede te handhaven waar geen vrede was
– Zonder diepgaande informatie in te winnen bij de Canadese voorgangers in de enclave (Canbat)
– Zonder adequaat te zijn opgeleid voor deze specifieke taak in die specifieke omstandigheden
– Nagenoeg verstoken van militair-politiek inlichtingenwerk om de intenties van de strijdende partijen te peilen
– Onder onvoldoende gefundeerd vertrouwen in de bereidheid om het luchtwapen in te zetten in geval van problemen
– Zonder een duidelijke vertrekstrategie.

(4) Dutchbat arriveerde in 1994 in een enclave met uiterst gecompliceerde verhoudingen en was slecht geprepareerd op de feitelijke situatie aldaar. Bij de Canadezen, de voorgangers, is behoudens tijdens twee verkenningsparties nauwelijks naar de ervaringen geïnformeerd. Ook is bij de Canadese overheid in Ottawa niet om informatie verzocht. De voorbereiding en opleiding voldeden globaal gesproken voor het militaire aspect, maar schoten tekort voor wat betreft het geven van voorlichting en inzicht in de situatie van de bevolking, hun culturele achtergrond en ervaringen tijdens de burgeroorlog. Hierdoor konden al tijdens die opleiding stereotype denkbeelden en vooroordelen post vatten. Dat alles heeft de verhouding tussen Dutchbat en de bevolking niet vergemakkelijkt. Ten tijde van Dutchbat I waren er nog relatief frequente contacten. Gaandeweg werden die minder.

Dat droeg bij tot een in zichzelf gekeerde mentaliteit en een versterking van negatief gekleurde stereotype opvattingen. Dutchbat was vaak negatief over de bevolking in de enclave, maar van een doelbewuste anti-moslim houding was geen sprake. Dutchbat III sprong er, anders dan wel is gesuggereerd, niet uit met relatief veel wangedrag.

(4) Minister Voorhoeve, in het begin van de jaren 90 als directeur van Instituut Clingendael nog een sterk ijveraar voor ingrijpen, constateerde al in de zomer van 1994 dat sprake was van een onuitvoerbare opdracht. De bataljons moesten dikwijls gefrustreerd en gedemotiveerd hun werk doen. Speciaal voor Dutchbat III gold dat het sterk aangeslagen en in zichzelf gekeerd raakte. Maar dat betekent niet dat zij disfunctioneerden. Zij voerden hun taak uit, maar dat had bij lange na niet het beoogde effect, hetgeen veeleer te wijten is aan de gebrekkige middelen en het beleid van de VN en UNPROFOR. Dutchbat was steeds minder in staat zijn taak uit te oefenen.

(5) UNPROFOR zat tussen twee vuren. Van de veronderstelde demilitarisatie in de enclave was nauwelijks iets terecht gekomen. Het Bosnische leger (ABiH) voerde een bewuste strategie om door beperkte militaire acties het Bosnische Servische leger (VRS) met relatief veel mankracht te binden om te voorkomen dat die zich met alle macht op het hoofdgebied rond Sarajevo zou richten. Dit gebeurde ook vanuit de enclave Srebrenica. ABiH-militairen schroomden niet om hier in schermutselingen met de VRS alle regels te overtreden. Ze lokten beschietingen van de Bosnische Serven uit en zochten dan dekking bij een Dutchbat-eenheid die vervolgens kans liep tussen twee vuren terecht te komen. Anderzijds droeg de blokkadepolitiek van de VRS in belangrijke mate bij tot een frustrerende en demotiverende situatie. Hierdoor was de sterkte van Dutchbat III was begin juli 1995 met een derde teruggelopen en was er een ernstig tekort aan voorraden, van voedsel tot diesel voor de voertuigen. In het bijzonder de laatste twee bataljons raakten in de loop van hun uitzending mentaal en fysiek uitgeput.

(5) Er zijn ook achteraf geen aanwijzingen dat de verhoogde activiteit van de VRS in Oost Bosnië begin juli 1995 iets meer beoogde dan verkleining van de safe area Srebrenica en doorsnijding van de belangrijkste verbindingsweg naar Zepa. Het krijgsplan werd op 2 juli vastgesteld. Op 6 juli begon de aanval. Deze verliep zo succesvol en er werd zo weinig tegenstand geboden dat op 9 juli pas laat in de avond werd besloten door te stoten en te kijken of verovering van de hele enclave mogelijk was. Dutchbat had vanuit militair perspectief weinig reden om op eigen initiatief een tegenaanval in te zetten, want:

– Actieve verdediging van de enclave met militaire middelen lag niet in de lijn van het mandaat, de VN-politiek (onpartijdigheid handhaven) en de rules of engagement.
Vooral terughoudend met militaire middelen reageren, was de instructie (“to deter by presence“).
– De militaire machtsverhoudingen waren zodanig dat Dutchbat bij een doelgericht gevecht zonder hulp van buiten kansloos was geweest.
– Door de ‘afknijpstrategie’ (de blokkadepolitiek van de VRS) was Dutchbat III qua mankracht, bevoorrading en qua moreel geen volwaardig opererend bataljon meer.
Inzet van militaire middelen mocht alleen als de eigen veiligheid van Dutchbatters in gevaar was en als er direct op hen werd geschoten – de vereiste ‘smoking gun’ – hetgeen de VRS bewust vermeed.
– De omstandigheden droegen niet bepaald bij tot een stemming voor een eigenmachtige tegenaanval, zoals uitblijven van luchtsteun en de dood van Dutchbatter Van Renssen door een actie van een Bosnische Moslim.

(5) De vraag of een ander bataljon (in een andere conditie of met een zwaardere bewapening) anders zou hebben gereageerd, is onmogelijk te beantwoorden. Politiek-psychologisch gezien was denkbaar geweest dat de commandant van de VRS, generaal Mladic, zou zijn teruggeschrokken voor een gevecht dat slachtoffers aan UNPROFOR-zijde zou eisen, uit vrees voor een negatieve reputatie van de Bosnische Serven. Dat zijn besluit om door te zetten tot Srebrenica vooral werd ingegeven door het uitblijven van gewapende tegenstand van enige betekenis, geeft aan dat zulke overwegingen bij de VRS een rol speelden. Omdat eigenmachtig ingaan van Dutchbat tegen de geldende bevelslijn niet in de rede lag, had het initiatief daartoe van één van de hogere VN-echelons moeten zijn uitgaan. Maar die hogere niveaus keken al met veel aarzeling aan tegen close air support (= gerichte luchtsteun), laat staan dat zij serieus optreden in de vorm van actief terugvechten door Dutchbat overwogen. Bovendien vermeden de Bosnische Serven doelbewust de zogeheten ‘smoking gun‘ door om de ‘blocking positions‘ heen te trekken en UNPROFOR geen directe aanleiding te geven voor het starten van een gewapende tegenactie op de grond. Zo geschiedde bij de aanval op Srebrenica in het klein wat bij het beleid in het groot gebeurde: doormodderen.

(6) De snelle val van Srebrenica en de geringe geboden weerstand hebben tot vragen en veronderstellingen geleid over mogelijke geheime deals. De belangrijkste daarvan heeft betrekking op de hoogste VN-commandant generaal Janvier. Die zou op 4 juni 1995 met VRS-generaal Mladic in het geheim zijn overeengekomen dat er in ruil voor vrijlating van voornamelijk Franse gijzelaars geen air strikes (zoals op Pale) meer zouden komen, ook in de toekomst niet. Deze hypothese houdt geen stand tegen kritische beschouwing. Ook zonder deal kon Mladic begrijpen dat aan VN-kant de algemene overtuiging bestond dat air strikes uit den boze waren zolang er nog gijzelaars waren of konden komen. Het luchtwapen was buitengewoon riskant geworden zolang de grondtroepen van UNPROFOR nog in enclaves verkeerden. Om die reden had Janvier al bij de Veiligheidsraad bepleit de oostelijke enclaves te verlaten om zo een steviger optreden mogelijk te maken.

(7) De verwachting bij Dutchbat en de Sector North East in Tuzla dat er in de ochtend van de 11de juli hulp van buiten in de vorm van massale luchtaanvallen zou komen, was een misvatting. De leiding van UNPROFOR had airstrikes al volstrekt uitgesloten, maar was ook uiterst terughoudend ter aanzien van lichtere luchtsteun in de vorm van close air support. Hiermee vermorzelde zij de illusie van Dutchbat en werd de enclave een gemakkelijke prooi voor de VRS. Aan Nederlandse zijde werden de mogelijkheden tot inzet van het luchtwapen overschat. De verwachting bestond dat het – indien nodig – “robuust” zou worden ingezet. In de politieke en militaire besluitvorming was dat van begin af aan een belangrijk argument. De VN was zeer terughoudend met inzet van het luchtwapen omdat zij wilde vasthouden aan onpartijdigheid in het conflict en op de taak van peacekeeping (en geen peace-enforcement). De gijzelaarscrisis na de airstrikes bij Pale had de twijfel aan het nut van massale luchtsteun in de VN-top nog verder versterkt.

(6) Uit vrees voor het lot van een tot 55 man uitgroeiende groep van elders gegijzelde Dutchbatters en voor dat van de vluchtelingen en Dutchbatters in de enclave, die ook min of meer als gegijzeld beschouwd konden worden, deed defensieminister Voorhoeve een klemmend beroep op de hoogste VN-leider in de regio, Akashi, om op 11 juli de gevraagde luchtsteun af te blazen. Dit beroep was van geen enkele betekenis omdat het betreffende besluit al was genomen. Akashi heeft het verzoek van Voorhoeve later ten onrechte gebruikt om niet te hoeven zeggen dat de VN zelf al geen verdere actie meer had gepland. Hij beriep zich op Voorhoeves verzoek door te zeggen dat dit hem geen andere keuze liet.

(8) De aanval op de enclave en in het bijzonder de volledige verovering ervan, kwam als een volkomen verrassing, zowel voor Dutchbat als voor alle andere betrokken instanties. Dit kan worden verklaard uit de late besluitvorming van de Bosnische Serven tot de aanval en de uiteindelijke verovering van de gehele enclave, maar ook uit de zwakke inlichtingenpositie van de VN en het ontbreken van voldoende capaciteiten en de juiste middelen om intelligence te vergaderen en de analyseren. De val van Srebrenica was daardoor mede een falen van de militaire intelligence. Hierin heeft ook Nederland een aandeel. Bij het kabinet, het ministerie van Defensie en het parlement bestond een anti-intelligence houding. De Militaire Inlichtingendienst (MID) met name, kreeg onvoldoende extra middelen om additionele intelligence te vergaren en werd onvoldoende bij de besluitvorming over Srebrenica betrokken. Daardoor zijn veel minder waarnemingen gedaan dan technisch had gekund.

(8) De Verenigde Staten hadden in Bosnië de sterkste inlichtingenpositie. Nederland had hiervan kunnen profiteren, maar gebrek aan interesse en een negatieve houding van de militaire en politieke leiding hebben dit verhinderd. Een aanbod van de CIA om een aantal zogeheten Comint-koffertjes de enclave in te smokkelen met apparatuur om in de regio het communicatieverkeer van ABiH en VRS af te luisteren is door de top van de Koninklijke Landmacht herhaaldelijk afgewezen. Defensie liet daarmee de kans lopen om in ruil daarvoor de eigen informatiepositie op het gebied van intelligence te versterken. Dit resulteerde in een zwakke Nederlandse informatiepositie op het gebied van intelligence. Het afgeluisterde berichtenverkeer had Dutchbat op zijn minst ‘oren’ gegeven en had de Landmacht in een sterke positie geplaatst ten opzichte van de Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten om uit Amerikaanse hoek additionele intelligence te verkrijgen.

(10) Het tragische dieptepunt van de val van Srebrenica is de massamoord op duizenden Moslimmannen door Bosnisch-Servische eenheden. Een groot deel van de vermoorde mannen bestond uit militairen van het Bosnische Moslimleger (ABiH) die in de nacht van 11 op 12 juli met een deel van de manlijke bevolking een uitbraakpoging naar Tuzla ondernamen. Het besluit uit te breken en dus van verdere weerstand af te zien werd geheel buiten de VN en UNPROFOR om genomen. De tocht naar Tuzla en de massa-executies die zouden volgen speelden zich geheel buiten het gezichtsveld van Dutchbat af. Suggesties dat de Moslims “onder de ogen van Dutchbat” werden vermoord, zijn voor deze massamoord onjuist.

(10) Het besluit tot massa-executies werd hoogstwaarschijnlijk genomen na 11 juli toen duidelijk werd dat de uitbraak onder leiding van de 28e divisie de voornoemde afhandeling van zaken onmogelijk maakte. Er is geen geschreven bevel gevonden. De uitbraak was een volledige verrassing, die de VRS heel slecht uitkwam. Tezamen met de reeds bestaande haat, wraakgevoelens en de wens tot etnische zuivering was ze één van de factoren die de Bosnische Serven ertoe bracht hard af te rekenen met de Moslimbevolking van de enclave, wat uitmondde in een georganiseerde massamoord. Het is niet waarschijnlijk dat ze in deze specifieke vorm en omvang ruim van te voren is beraamd. Plausibeler is dat aan Bosnisch-Servische zijde werd gerekend op een overgave van de ABiH-militairen en een deportatie van de bevolking uit de enclave na ‘screening op oorlogsmisdadigers’ en afvoer van de militairen naar kampen voor krijgsgevangenen.

(10) Juist bij de behandelingen van de vele gevangenen raakten aan Bosnisch-Servische zijde alle remmen los. Op bepaalde plaatsen werden de Moslims op beestachtige wijze afgeslacht. Hiertoe behoorden ook mannen die bij de afvoer van de bevolking naar Tuzla buiten de Nederlandse compound in Potocari van de vrouwen werden gescheiden. Dat massamoord de bedoeling was, wordt ook duidelijk doordat na de gevangenneming geen maatregelen werden genomen om na te gaan of zich onder hen ‘oorlogsmisdadigers’ bevonden, geen voorzieningen voor krijgsgevangenschap werden getroffen, er geen eten en drinken werd georganiseerd, identiteitsbewijzen werden vernietigd en geen onderscheid werd gemaakt tussen combattanten en non-combattanten.

(10) Veel wijst er op dat het om een centraal gegeven bevel van de Generale Staf van de VRS is gegaan. Voor politieke of militaire afstemming met Belgrado zijn geen aanwijzingen. De betrokkenheid van de toenmalige president Karadzic (Republika Srpska) is onduidelijk. Het zwaartepunt voor de verantwoordelijkheid van de massamoord lag hoe dan ook in militaire kring. De centrale rol van Mladic was daarbij onmiskenbaar en is niet aan twijfel onderhevig. Hij was dominant aanwezig in deze dagen en had duidelijk de leiding. Dat neemt de (mede)verantwoordelijkheid van anderen in leidende posities in de VRS, het Drina Korps en in de speciale troepen en veiligheidsdiensten niet weg.

(11) Na de val van de enclave vluchtten enkele tienduizenden inwoners naar Potocari, deels naar de Nederlandse compound ter plaatse. Die massa verbleef daar enkele dagen onder barre omstandigheden in chaos, grote hitte en met gebrek aan voedsel en water. Er dreigde een humanitaire ramp en gezien de hygiënische omstandigheden was vrees voor epidemische ziekten gerechtvaardigd. Er bestond geen twijfel waar de prioriteit lag. Evacuatie of deportatie van de bevolking stond bovenaan de agenda. Per saldo was dat de wens van alle partijen. Ook de vluchtelingen koesterden om uiteenlopende redenen, waaronder angst niet als de minste, vurig de wens om te vertrekken. Van bescherming van de vluchtelingen in Potocari met behulp van wapens kon geen sprake zijn. Niet alleen de wanverhouding in militaire middelen tussen Dutchbat en de VRS verhinderde dat. Ook de aanwezigheid van een enorme opeengepakte massa vluchtelingen maakte effectief optreden onmogelijk. In wezen was sprake van een gijzelingssituatie waarin elk gewelddadig verzet op een bloedbad zou zijn uitgelopen. Er was geen twijfel waar de hoofdtaak lag. De afvoer van de bevolking stond bovenaan de agenda en was per saldo de wens van alle partijen.

(11) Toen er bussen verschenen, ontstond een run om zo snel mogelijk een plaats te verwerven.Velen hadden al eerder weg gewild en nu was de drang zeer hevig. Dat was één van de redenen voor Dutchbat om hierbij regulerend op te treden. Een andere was dat de vluchtelingen zo – althans niet direct – aan VRS-militairen waren overgeleverd. Ook voor Dutchbat was duidelijk dat er voor de Moslims maar één keus was: zo spoedig mogelijk vertrekken. Het was de vanzelfsprekende taak voor Dutchbat om daarop toezicht te houden en eraan mee te werken, ook al betekende dat onder de gegeven omstandigheden feitelijk assistentie bij etnische zuivering.

(11) Plaatsvervangend Dutchbat-commandant Franken heeft achteraf gezegd het gevaar van ontsporingen wel degelijk te hebben onderkend. De gedachte aan massamoord kwam niet bij hem op, maar wel dat de VRS zich niet aan de regels zou kunnen houden en dat daar in het ergste geval doden bij zouden kunnen vallen. Uit vrees voor paniek en een directe ramp heeft hij daarover gezwegen en meegewerkt aan de voortgang van de evacuatie in het volle bewustzijn dat het lot van de mannen onzeker was en dat zij – naar zijn zeggen – “inderdaad onder de meest walgelijke omstandigheden terecht konden komen”. Hij koos wezenlijk voor het voorkomen van een humanitaire ramp die allen zou treffen. Dat had verregaande consequenties voor de mannen onder de aanwezigheid. De bataljonsleiding besefte dat het lot van de mannen onder hen, die werden gescheiden van vrouwen en kinderen, onzeker was, maar kon niet vermoeden dat dit zou uitmonden in een massamoord op deze en vele andere mannen die tijdens hun vlucht naar Tuzla in handen van de Bosnische Serven vielen.

(11) Tot de dilemma’s van Franken behoorde ook het wel of niet toelaten van personen tot de compound of plaatsing op de lijst van lokaal personeel waartoe zij in feite niet behoorden. Algemeen bekend was bij UNPROFOR hoe streng de controles van de VRS waren en welk belang daarbij de benodigde schriftelijke toestemmingen hadden. Franken beschouwde het als een te groot risico dat de VRS bij de onvermijdelijk geachte inspectie om iemand zou stuiten met zonder of met twijfelachtige papieren. Dat zou het lot van anderen in gevaar kunnen brengen. Om deze reden weigerde hij ook de broer van een tolk (Hassan Nuhanovic) op de lijst te zetten van personen die met Dutchbat mochten vertrekken. Diens vader mocht wel blijven, vanwege zijn deelname aan de bespreking van Karremans met generaal Mladic, maar verkoos echter bij zijn familie te blijven, hetgeen zijn dood werd. In zeker één geval (elektricien Mustafic) is iemand niet op de lijst gekomen die daar wel recht op had, een communicatiestoornis met fataal gevolg.

(11) Bij een lokale wraakoefening zijn reeds in Potocari een aantal Moslimmannen door de Bosnische Serven omgebracht. Met een grote marge wordt aangenomen dat het gaat om tussen de 100 en 400 doden. De bataljonsleiding kreeg hierover beperkte informatie, maar wat wel werd gemeld was overigens alarmerend genoeg, met name tot twee maal toe de waarneming van negen à tien lijken en aanwijzingen dat bij verhoren in een huis nabij de compound mishandelingen plaatsvonden. Er is in Potocari veel méér gebeurd dan door Dutchbatters is gezien. Maar van wat ze zagen is in die dagen niet alles gemeld. De communicatie hierover faalde destijds volkomen. Een verklaring daarvoor is de grote stress waaraan Dutchbatters blootstonden, een blikvernauwing en afsluiten voor wat zich in de omgeving afspeelde. In sommige gevallen zal ook hebben meegespeeld dat de zorg over het eigen overleven van deze hel belangrijker werd geacht dan het lot van de Moslimmannen, die het Dutchbat zo moeilijk hadden gemaakt.

(11) Hoe dan ook faalde de communicatie op 12 en 13 juli, toen deze moorden op uit de menigte gehaalde mannen werd gepleegd, volkomen. Dit falen van de interne humanitaire rapportage roept de vraag op waarom de bataljonsleiding zelf niet actiever is geweest. Commandant Karremans en zijn plaatsvervanger Franken hebben ook gedurende de week na de evacuatie, toen er meer rust was, niet gepoogd door een oproep of ondervraging gegevens over ernstige schending van de mensenrechten te krijgen. Het niet nemen van deze verantwoordelijkheid verbaast hen achteraf ook zelf. Overigens delen zij deze verantwoordelijkheid met functionarissen op hogere niveaus die bovendien – eerder dan zij – beschikten over de alarmerende berichten van overlevenden uit Tuzla.

(12) De bataljonsleiding en vooral cdt. Karremans zijn in het openbaar sterk bekritiseerd, mede door een erg weinig mediageniek optreden. Door deze beeldvorming heen kijkend, wordt vastgesteld dat onder verantwoordelijkheid van die bataljonsleiding tot aan de hectische julidagen de meeste militaire en humanitaire taken naar behoren zijn vervuld. Het bataljon disfunctioneerde niet. Toen de VRS de aanval op de enclave opende, was Dutchbat echter niet meer bij machte de loop der gebeurtenissen te bepalen, waarbij wordt aangetekend dat militaire verdediging van de enclave uitdrukkelijk niet tot de taak of instructie behoorde en dat passief opereren derhalve was voorgeschreven. Wel worden bij een reeks van afzonderlijke kwesties waaronder aard en optreden van de bataljonsleiding kritische opmerkingen geplaatst.

(13) Op de berichten van vluchtelingen in Tuzla over grootscheepse schending van de mensenrechten werd verschillend gereageerd. Minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking sprak in een NOVA-uitzending op 18 juli voor het eerst ongeremd over “genocide”. De ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Voorhoeve (Defensie) uitten zich daarentegen bezorgd maar meestal voorzichtig, mede uit zorg voor de kwetsbaarheid van Dutchbat zolang het nog in de voormalige enclave verbleef. Bevelhebber van de Koninklijke Landmacht generaal Couzy suggereerde op grond van de meldingen van Dutchbat dat het wel meeviel. Hij schoof de mogelijkheid en zeker eventuele (indirecte) betrokkenheid van Dutchbat ver weg, uit onzekerheid over wat er in de enclave allemaal was gebeurd en uit de wens om het imago van het bataljon en de landmacht te beschermen. Juist op grond van wat hij in alle vaagheid en onvolledigheid had vernomen, had hij echter ook kunnen concluderen dat er juist reden was voor alertheid en verder onderzoek.

(13) Met de persconferentie van Defensie in Zagreb begon een fundamentele omslag in de media. Tot dan toe bestond het beeld dat Dutchbat onder moeilijke omstandigheden zijn werk deed. Er was veel begrip getoond door journalisten dat zolang Dutchbat nog in de enclave was, terughoudendheid wenselijk was vanwege het gevaar van gijzeling. De eerste perscontacten van cdt. Karremans na het vertrek uit de enclave waren schadelijk voor het imago van Dutchbat en Defensie. Zijn pogingen om de verhouding van de strijdende partijen te karakteriseren (“no good guys, no bad guys“) en zijn waardeoordelen over generaal Mladic pakten faliekant verkeerd uit in het licht van de inmiddels in de ogen van veel journalisten zeer waarschijnlijke, ernstige moordpartijen door de Bosnische Serven. Gegeven de aangrijpende ontsporing die had plaatsgevonden was er aan mediazijde sprake van een zekere schaamte over de volgzaamheid tot dan toe; deze neigde er nu toe in zijn tegendeel te verkeren. Daarbij kwamen begrijpelijke en deels ook juiste klachten over het gebrek aan informatie door Defensie en verstoring van persoonlijke verhoudingen tussen Defensie en journalisten als gevolg van het niet nakomen van toezeggingen.

(13) Voor de negatieve beeldvorming vanaf dat moment zijn ook beelden van betekenis van een feestje na aankomst van Dutchbat in Zagreb. Opnamen van bierdrinkende en hossende Dutchbatters zijn bij uitstek symbool geworden voor de vermeende onverschilligheid van Nederland en Dutchbat in het bijzonder voor het lot van de bij massaexecuties omgekomen Moslims. Deze vaak op televisie getoonde beelden zijn afkomstig uit een korte uitsnede uit een veel langere interne video die in najaar 1995 door Defensie integraal in een openbaar beeldarchief is gedeponeerd. Deze beeldselectie wekt de suggestie dat Dutchbat in het volle besef van de massamoord onder de ogen van de pers aan het feestvieren was. Alledrie de suggesties zijn onjuist. Aard en omvang van de massamoord waren nog niet bekend, laat staan volledig beseft; het hossen was de spontane ontlading na een zeer emotionele herdenking van de dood van hun gesneuvelde collega’s Raviv van Renssen en Jeffrey Broere. Er namen enkele tientallen militairen aan deel, een kleine minderheid van het bataljon.

(13) De publieke beoordeling van de rol van Karremans is eveneens onderhevig geweest aan het effect van videobeelden, in dit geval van opnamen die door de VRS zijn gemaakt tijdens zijn gesprekken met generaal Mladic. Geconstateerd wordt dat er een manipulatief spel met hem is gespeeld en dat hij daarbij op een voor de beeldvorming fatale wijze is gefilmd. De uitgezonden beelden worden niet representatief geacht. Zo heeft men hem een glas in de hand gedrukt in een situatie waarin hij er net in was geslaagd om een aantal gegijzelde Dutchbatters te ontmoeten. De houding van Mladic gaf Karremans geen enkele kans, maar waar er mogelijkheden waren, lijkt deze toch gezegd te hebben wat hij minimaal moest en geen toezeggingen of concessies te hebben gedaan die in de gegeven omstandigheden geen pas gaven.

(13) Vanaf Zagreb overheerste een zeer kritische benadering van wat er was gebeurd. Dat werd niet minder toen bleek dat de informatievoorziening door Defensie veel te wensen overliet. Het vermoeden rees dat gepoogd werd het blazoen van Dutchbat ten onrechte ongeschonden te houden. Minister Voorhoeve lag voortdurend onder vuur, liep achter de feiten aan en wilde daarom een breed allesomvattend onderzoek, een voortgezette debriefing op grote schaal. Hij rekende daarbij op loyaliteit, steun en een juist politiek gevoel van de Landmacht. De top van de Koninklijke Landmacht had echter andere prioriteiten zoals bescherming van het imago van Dutchbat en van de Landmacht, waardoor de minister relatief laat, dikwijls inadequaat of een enkele keer zelfs helemaal niet werd geïnformeerd. Het debriefingsrapport schoot tekort. De KL kon er duidelijk zijn stempel op zetten. Voorhoeve en zijn ambtenaren wisten dat. Toch meende hij weinig anders te kunnen doen dan het rapport prijzen, want hij had zich er al wekenlang vragenstellers mee van het lijf gehouden. Met onmiddellijke erkenning dat het rapport niet goed was zou hij de Koninklijke Landmacht desavoueren en dat wilde hij niet. Voorhoeve was de gevangene geworden van het debriefingsrapport.

(14) Het beperkte debriefingsbeleid van de Landmachttop sloeg als een boemerang terug op de Defensieorganisatie. Die raakte vooral in de zomer van 1998 vrijwel verlamd door de aanhoudende affaires in de media over Srebrenica. De nieuwe Defensieminister De Grave ondervond de hinder hiervan al vrijwel direct na zijn aantreden. Hij besloot krachtiger in te grijpen: hij liet onderzoeken of er over Srebrenica een ‘doofpot’ bestond. Rapporteur Van Kemenade vond daar geen aanwijzingen voor. Zijn onderzoek stond echter niet in de eerste plaats in dienst van zogenoemde waarheidsvinding; uiteindelijk ging het om een politiek-bestuurlijk probleem dat om een acute oplossing vroeg. Van Kemenade concludeerde dan ook niet – zoals in dit rapport wel is gebeurd – dat er, naast onvermogen, sprake was van een welbewuste poging van de Landmachttop om tegen de wil van de minister de informatiestroom te beperken en waar mogelijk onwelgevallige onderwerpen te schonen. Aanwijzingen daarvoor onderkende Van Kemenade niet; die hadden op zijn minst tot een grotere argwaan kunnen leiden jegens zijn vroege conclusie dat er geen doofpot was.

(15) Na juli 1995 heeft de tragedie Srebrenica diepgaand doorgewerkt. Allereerst voor de overlevenden en nabestaanden van de bevolking. Voor de meesten van hen is een verwoestende werking van de gebeurtenissen op hun leven uitgegaan. In het bijzonder veel vrouwen van Srebrenica lijden nog dagelijks onder wat hen is overkomen. Velen hadden voor de vestiging van de safe area al een reeks uitputtende en gruwelijke ervaringen achter de rug. Na twee jaar in een omsingelde veste, waarin de VRS met zijn “afknijpstrategie” een humanitair onhoudbare situatie trachtte te scheppen, kwamen daar de aanval, de deportatie en de massamoord nog eens overheen. Nog steeds is het proces van opgraving en identificatie van de lijken niet voltooid. In vele opzichten voelen de nabestaanden zich door de rest van de wereld, in Bosnië en daarbuiten, in de steek gelaten.

(15) Ook bij Dutchbatters heeft hun verblijf diepe sporen achtergelaten. Velen hebben langdurig de psychische gevolgen van hun ervaringen in Srebrenica ondervonden. Sommigen in hevige mate tot op de dag van vandaag. Over de opvang en nazorg waren velen niet te spreken. De ontvangst in Nederland, in een atmosfeer van publiek debat waarin zeer negatieve aandacht voor Dutchbat frequent voorkwam, droeg niet bepaald bij tot een goede en evenwichtige verwerking aan het thuisfront. Van begrip hoe het volgens de Dutchbatters ‘werkelijk’ was, kon in die atmosfeer weinig sprake zijn. Zij herkenden zich niet in het beeld dat in de media domineerde, van pikzwarte (vooral Bosnische) Serven en lelieblanke Moslims. Met dat beeld hadden de meeste Dutchbatters grote moeite. Zij hadden een andere wereld gekend tijdens hun verblijf in de enclave.

(15) De massamoord had een sterk schokeffect in VN en NAVO en heeft bijgedragen aan een omslag in het Amerikaanse beleid. In juli 1995 werd een streep getrokken bij het bedreigde Gorazde waar Britse troepen lagen. De krampachtigheid voor het handhaven van onpartijdigheid bij de VN verminderde en de bereidheid tot inzet van het luchtwapen nam toe. Militairen kregen ruimere bevoegdheden om het in te zetten, ook zonder ‘smoking gun’ als voorwaarde. De beschieting op de Markale markt in Sarajevo in augustus 1995 lokte harde luchtacties uit van VN en NAVO tegen de Bosnisch-Servische luchtverdediging. Die eensgezinde actie – “Deliberate Force” – leidde naar Dayton november 1995 waar de tegenstribbelende partijen zich lieten dwingen tot een akkoord. Nederland speelde in deze fase geen enkele rol. Het werd zelfs van de conferentietafel geweerd.

[Bron. Voor het volledige rapport over de val van Srebrenica uit 2002: klik hier]

Geplaatst in (former) Yugoslavia | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

What happened in Srebrenica? Summary of the 2002 NIOD report

In 2002, the independent Dutch ‘NIOD Institute for War, Holocaust and Genocide Studies‘ published its report on the 1995 events in Srebrenica. It had been commissioned by the Dutch government in 1996. Its publication led to the downfall of the government led by Prime Minister Wim Kok.

The following is an authorized summary of the conclusions from the epilogue of the main report Srebrenica, a ‘safe’ area – Reconstruction, background, consequences and analyses of the fall of a safe area. The numbers in the left-hand margin refer to the numbered main points in the epilogue.

(1) The mass slaughter of thousands of Bosnian Muslims in Srebrenica is a horrifying and probably the most violent excess to take place in the process of disintegration of Yugoslavia in the first half of the 1990. Great-Serbian ambition played a major role in this process. This places a relatively large share of the responsibility with the Serb political leaders, especially former president Milosevic. The very large degree of responsibility for the violent nature of the process of disintegration borne by the Serb leaders should not encourage turning a blind eye to the responsibility of other leaders for the resort to violence. All of the warring factions were guilty of gross violence. The reports and images of this violence met with repugnance throughout Europe and provoked a strong call for intervention by the international community, in which the Netherlands figured prominently.

(2) International interventions are rarely so preventive that they can be made before excesses occur. If those excesses do occur, the public debate on them often leads governments to intervene on moral and humanitarian grounds. More in-depth analysis of the background of trouble spots and measures based on such analysis rarely play a major role. The actual intervention is more often a matter of trial and error than of the coherent implementation of a well-conceived programme. As a result, many processes of intervention look like ‘muddling on’. This was the case in Yugoslavia as it disintegrated. From lack of a better alternative, international intervention right from the right down to the aftermath of the fall of Srebrenica was dominated by the ‘muddling on’ scenario.

(2) The promise made by UN general Morillon in 1993 to the people of Srebrenica that they were under the protection of the UN and would not be abandoned fits in with this picture of muddling on. He hereby produced a fait accompli, which the Security Council turned into the decision to label Srebrenica as a ‘safe area’, a new and undefined concept. Nothing was clear about it except that the dominant light option ruled out a mandate for a genuine military defence of the area or its population. The presence of UN troops was intended rather to be a warning by the international community not to attack (“to deter by presence”). The proclamation of the zone as a safe area created an illusion of security for the population.

(3) The Netherlands was in the forefront of the international call for some form of intervention. In 1993 a combination of humanitarian motivation and political ambitions led the Dutch government, on its own initiative and without prior conditions, to make an Air Battalion available for the UNPROFOR mission in Bosnia. The Netherlands could use this to show its worth, and Dutch prestige would be enhanced in the world. This took place amid wide political and media support and without a proper analysis of the far-reaching consequences beforehand. These were among the factors which led to the Netherlands being destined for Srebrenica, which had been turned down by other countries with arguments to back up their refusal.

(3) In its desire to achieve a consensus, the Dutch parliament closely followed cabinet policy. Parliament and the parliamentary commissions were regularly given detailed information, sometimes behind closed doors. This strengthened the cabinet, but at the same time it seriously undermined the critical and regulatory role of parliament. Criticisms were voiced in politics and in the media – some of them were forcefully expressed by the military – but critics ran the risk of being disqualified by the rest for their lack of moral fibre.

(3) The decision to become one of the main suppliers of troops for a peace mission moved many at the time. Dutch politics were dominated by the call to intervene on moral grounds. This humanitarian motivation, coupled with the ambition to improve Dutch credibility and prestige in the world, led the Netherlands to offer to dispatch the Air Brigade. By playing down the possible risks of the behaviour of the warring parties so much, a large circle of those involved in this policy, and in particular its advocates, took on a large responsibility for it.
In practice, Dutchbat was dispatched:

– on a mission with a very unclear mandate
– to a zone described as a ‘safe area’ although there was no clear definition of what that meant
– to keep the peace where there was no peace
– without obtaining in-depth information from the Canadian predecessors in the enclave (Canbat)
– without adequate training for this specific task in those specific circumstances
virtually without military and political intelligence work to gauge the political and military intentions of the warring parties
– with misplaced confidence in the readiness to deploy air strikes if problems arose, and
without any clear strategy for leaving.

(4) Dutchbat arrived in 1994 in an enclave with extremely complicated relations, and it was badly prepared for the actual situation there. Apart from two exploratory parties, they made little attempt to obtain information from the Canadians, their predecessors, about their experiences. The Canadian government in Ottawa was not asked for information either. The preparation and training were sufficient, generally speaking, for the military aspect, but were inadequate as regards the provision of information and insight into the situation of the population, its cultural background and experiences during the civil war. This meant that stereotypes and prejudices could already take hold during the training. All this did little to ease the relation between Dutchbat and the population. There were relatively frequent contacts during Dutchbat I, but they gradually grew less. That contributed to an introverted mentality and a reinforcement of negatively coloured stereotypes. Dutchbat was often negative about the population in the enclave, but there was no question of a deliberate anti-Muslim attitude. Contrary to what has been suggested, Dutchbat III was not conspicuous for a relatively high level of misbehaviour.

(4) Minister Voorhoeve, who as director of the Clingendael Institute had been a fervent advocate of intervention in the early 1990s, remarked in the summer of 1994 that it was an impossible assignment. The battalions often had to carry out their work in a spirit of frustration and lack of motivation. Especially in the case of Dutchbat III it became shaken and introverted. But that does not mean that it was dysfunctional. It performed its task, but that came nowhere near the desired effect. This is more the fault of the inadequate resources and the policy of the UN and UNPROFOR. Dutchbat grew less and less able to carry out its task.

(5) UNPROFOR was caught between two fires. The supposed demilitarisation in the enclave was virtually a dead letter. The Bosnian army (ABiH) followed a deliberate strategy of using limited military actions to tie up a relatively large part of the manpower of the Bosnian Serbian army (VRS) to prevent it from heading in full force for the main area around Sarajevo. This was also done from the Srebrenica enclave. ABiH troops had no qualms about breaking all the rules in skirmishes with the VRS. They provoked fire by the Bosnian Serbs and then sought cover with a Dutchbat unit which then ran the risk of being caught between two fires. On the other hand, the VRS blockade policy was a significant contributor to a frustrating and demotivating situation. As a result, the strength of Dutchbat III had been depleted by one third by the beginning of July 1995 and there was a serious shortage of supplies, from food to diesel oil for the vehicles. The last two battalions in particular became mentally and physically exhausted in the course of their mission.

(5) With hindsight there are no indications that the increased activity of the VRS in East Bosnia at the beginning of July 1995 was aimed at anything more than a reduction of the safe area Srebrenica and an interception of the main road to Zepa. The plan of campaign was drawn up on 2 July. The attack commenced on 6 July. It was so successful and so little resistance was offered that it was decided late in the evening of 9 July to press on and to see whether it was possible to take over the entire enclave.

From a military perspective Dutchbat had few grounds for mounting a counterattack on its own initiative because:

– active defence of the enclave by military means was not in accordance with the mandate, the UN policy (the maintenance of impartiality) or the rules of engagement
– the instruction (“to deter by presence”) was for military reaction to be above all reticent
the military balance of power was such that, without outside support, Dutchbat would have been defenceless in a serious confrontation
– as a result of the ‘stranglehold strategy’ (the blockade policy of the VRS), Dutchbat III was no longer a fully operational battalion in terms of manpower, supplies or morale.
military means could only be deployed if the safety of the battalion was in danger and if it was the target of direct fire – the ‘smoking gun’ requirement – which the VRS deliberately avoided
– the circumstances, such as the failure of air support to materialise and the death of the Dutchbat member Van Renssen through an action by a Bosnian Muslim, hardly encouraged the mood for a counterattack on its own initiative.

5) The question of whether another battalion (in a different condition, or more heavily armed) would have acted differently is impossible to answer. In terms of political psychology, it was conceivable that, from fear of a negative reputation for the Bosnian Serbs, the commander of the Bosnian Serbian army (VRS), general Mladic, would have held back from armed resistance with the risk of victims on the UNPROFOR side. His decision to press on to Srebrenica was primarily motivated by the lack of any significant armed resistance. This indicates that such considerations did play a role with the VRS. Since action by Dutchbat on its own initiative contrary to the instructions was not an available option, the initiative for that would have had to come from one of the higher UN echelons. But those higher echelons were very reluctant to use close air support, let alone considering serious operations in the form of active fighting back by Dutchbat. Besides, the Bosnian Serbs deliberately avoided the ‘smoking gun’ by skirting the blocking positions and not giving UNPROFOR any direct pretext to initiate an armed counterattack on the ground. The attack on Srebrenica was characterised on a small scale by what characterised policy on a large scale: muddling on.

(6) The rapid fall of Srebrenica and the little resistance that was put up have led to questions and allegations about possible secret deals. The most important of these concerns the UN commander-in-chief general Janvier. It has been alleged that he and VRS general Mladic made a secret agreement on 4 June 1995 that no more air strikes (like those at Pale) would be forthcoming, not even in the future, in return for the release of mainly French hostages. This hypothesis does not stand up to criticism. Even without a deal, Mladic could still understand that the general conviction on the UN side was that air strikes were ruled out as long as there were hostages or the possibility of new ones. Attacks from the air had become extremely hazardous as long as the ground forces of UNPROFOR were still in the enclaves. That was why Janvier had already asked the Security Council to abandon the eastern enclaves to facilitate a stronger action.

(7) The expectation on the part of Dutchbat and the Sector North East in Tuzla that help would come from outside on the morning of 11 July in the form of massive air strikes was misguided. The UNPROFOR command had completely ruled out air strikes, but was also extremely reticent about lighter support from the air in the form of close air support. It hereby crushed the Dutchbat illusion and the enclave became an easy target for the VRS. On the Dutch side, the potential for the deployment of air support was overestimated. It was expected that “robust” action would be taken if necessary. That had been an important argument in the political and military decision-making right from the start. The UN was very reluctant to deploy the air force because it wanted to remain impartial in the conflict and to limit its task to that of peace-keeping, not peace-enforcement. The hostage crisis after the Pale air strikes had further increased doubts about the usefulness of massive air support.

(6) Fear for the fate of a group of members of Dutchbat held hostage elsewhere whose numbers had grown to 55, as well as for that of the refugees and members of Dutchbat in the enclave, who could also be regarded more or less as hostages, led Minister of Defence Voorhoeve to make an urgent appeal to the highest UN commander in the region, Akashi, to call off the requested air support on 11 July. This appeal had no effect whatsoever because the decision in question had already been taken. Akashi later falsely used Voorhoeve’s request in order to get out of having to say that the UN itself had not planned any further action. He appealed to Voorhoeve’s request by saying that it left him no alternative.

(8) The attack on the enclave, and in particular its complete collapse, came as a total surprise to Dutchbat and to all of the other parties involved. This can be explained from the lateness of the decision of the Bosnian Serbs to attack and eventually take over the whole enclave, but it was also due to the weak intelligence position of the UN and the lack of sufficient capacities and the right resources to collect and analyse intelligence. The fall of Srebrenica was thereby partly a failure of military intelligence. The Netherlands also played a part in this. The Cabinet, the Ministry of Defence and the Dutch Parliament adopted an anti-intelligence attitude. The Military Intelligence Service in particular did not receive sufficient extra resources to collect additional intelligence, and this service was not involved enough in the decision-making on Srebrenica. As a result, far fewer observational data were obtained than was technically possible. The United States had the strongest intelligence position in Bosnia. The Netherlands could have benefited from this, but lack of interest and the negative attitude of the military and political leadership stood in the way. The army top repeatedly turned down an offer by the CIA to smuggle a number of so-called Comint cases into the enclave with equipment to tap the communications of the ABiH and the VRS in the region. Defence thereby missed the opportunity to strengthen its own information position in the field of intelligence in return. The result was a weak Dutch information position in the field of intelligence. Tapped messages would at least have given Dutchbat ‘ears’, and would have put the army in a strong position vis-à-vis the US intelligence and security services to obtain additional intelligence from US sources.

(10) The tragic nadir of the fall of Srebrenica was the mass killing of thousands of Muslim men by Bosnian Serbian units. A large number of the men were members of the Bosnian Muslim army (ABiH) who had attempted to break out of the enclave to Tuzla with some of the male population during the night of 11 July. The decision to break out and thus to give up further resistance was taken entirely outside the UN and UNPROFOR. The flight to Tuzla and the mass executions which followed took place entirely out of view of Dutchbat. Suggestions that the Muslims were killed “under the eyes of Dutchbat” are unfounded in relation to this mass slaughter.

(10) The decision on mass executions was most probably made after 11 July when it became clear that the breakout led by the 28th division prevented the handling of affairs that had been planned. No written order has been found. The outbreak was a complete surprise, and it came at a very bad time for the VRS. Along with the already existing hatred, eagerness for revenge and the wish for ethnic cleansing, it was one of the factors that led the Bosnian Serbs to settle accounts harshly with the Muslim population of the enclave. This turned into an organised mass slaughter. It is unlikely that is was planned long in advance with this specific form and scope. It is more plausible to suppose that the Bosnian Serbians had counted on a surrender of the ABiH troops and a deportation of the population from the enclave after ‘screening for war criminals’ and transfer of the troops to prisoner-of-war camps.

(10) It was precisely in the treatment of the many prisoners that the Bosnian Serbs lost control of themselves. In some places the Muslims were slaughtered like beasts. They included men who had been separated from the women outside the Dutch compound in Potocari at the transfer of the population to Tuzla. That mass murder was the intention is also clear from the fact that, after the prisoners had been taken, no measures were taken to see whether there were ‘war criminals’ among them, no prisoner-of-war facilities were found, no food or drink were organised, identity cards were destroyed, and no distinction was made between combatants and non-combatants.

(10) There are a number of indications that it was a central command from the General Staff of the VRS. There are none pointing to political or military liaison with Belgrado. The involvement of the then president Karadzic (Republik Srpska) is unclear. In any case, the main responsibility for the mass slaughter lay with the military. Mladic’s central role was unmistakable and beyond doubt. He was a dominant presence during these days and was clearly in command. That does not alter the responsibility of others in leading positions in the VRS, the Drina Corps and in the special troops and security services.

(11) After the fall of the enclave, several tens of thousands of the population went to Potocari, some of them to the local Dutch compound. That mass of people stayed there for a few days in terrible and chaotic conditions and suffered from the heat and the lack of food and water. There was a risk of a humanitarian catastrophe and in view of the hygienic conditions the fear of epidemics was justified. There was no doubt about where the priority lay. Evacuation or deportation of the population was the top priority. When all is said and done, that was also what all of the parties wanted. The refugees were also very keen to leave for a variety of reasons, not least fear. There was no way of offering the refugees in Potocari armed protection. This was ruled out not only by the lack of military balance between Dutchbat and the VRS, but also because the presence of an enormous crowd of refugees packed together made effective action impossible. It was essentially a hostage situation in which any violent resistance would have provoked a bloodbath. There was no doubt about the main priority. The top priority was the evacuation of the population, and in the last analysis that was what all of the parties wanted.

(11) When buses appeared, there was a rush to get a place as quickly as possible. Many had wanted to leave earlier, and now there was very heavy congestion. That was one of the reasons for Dutchbat to perform a regulatory function in this connection. Another was that the refugees were in this way – at least not directly – at the mercy of VRS troops. It was also clear to Dutchbat that the Muslims had only one choice: to leave as soon as possible. It was the natural task of Dutchbat to supervise that and to collaborate with it, even though in the given circumstances it was tantamount to collaborating with ethnic cleansing.

(11) Deputy Dutchbat commander Franken stated later that he had recognised the danger of excesses. He had not expected mass murder, nor had he expected the VRS to abide by the rules, and he realised that in the worse scenario there might be some killing. From fear of panic and a direct catastrophe, he was silent about these fears and assisted with the evacuation in full awareness that the fate of the men was uncertain and that they, as he put it, “might end up in the most appalling circumstances”. His choice was basically to avoid a humanitarian disaster that would affect everyone. That choice had far-reaching consequences for the men among those present. The battalion command realised that the fate of the men among them, who were separated from the women and children, was uncertain, but could not have suspected that this would lead to the mass slaughter of these and many other men who fell into the hands of the Bosnian Serbs during their flight to Tuzla.

(11) Franken’s dilemmas included that of whether or not to admit persons to the compound or to place them on the list of local personnel to whom they did not actually belong. There was a general awareness in UNPROFOR about how strict the VRS checks were and of how important the necessary written permits were in this respect. Franken felt that there was too large a risk that, during the supposedly inevitable inspection, the VRS might come across someone who had no papers or untrustworthy ones. That could endanger the lives of the others. For this reason he also refused to put the brother of an interpreter (Hassan Nuhanovic) on the list of people allowed to leave with Dutchbat. His father was allowed to stay because he had taken part in the discussion between Karremans and general Mladic, but he decided to stay with his family, which cost him his life. In at least one case (the electrician Mustafic) someone who was entitled to be included on the list was refused – a communication failure with fatal consequences.

(11) A number of Muslim men had already been killed by the Bosnian Serbs in Potocari in a local act of revenge. Their number is estimated at between 100 and 400, with a wide margin. The battalion command received limited information about this, but what was reported was alarming enough: two sightings of nine or ten corpses and indications that assaults were taking place during interrogations in a house near the compound. Much more happened in Potocari than what the members of Dutchbat saw. But not all of what they saw was reported in those days. Communication was a complete failure at the time. One reason for this is the great stress to which the members of Dutchbat were exposed, their narrowing of focus, and their shutting themselves off from the world around them. In some cases too, concern about their own survival in this hell will have meant more to them than the fate of the Muslim men who had made things so difficult for Dutchbat.

(11) Be that as it may, communication on 12 and 13 July, when these killings of men taken from the crowd were carried out, failed completely. This failure of the internal humanitarian reporting raises the question of why the battalion command itself did not play a more active role. During the week after the evacuation, when the situation had quietened down, Commander Karremans and his deputy Franken did not attempt to issue a call or make inquiries to investigate the serious violation of human rights either. Afterwards they are themselves surprised by this failure to assume responsibility. By the way, they share this responsibility with officers at higher levels who – earlier than Karremans and Franken – had also received the alarming reports from survivors in Tuzla.

(12) The battalion command, particularly commander Karremans, have been strongly criticised in public, partly due to their very unflattering way of presenting themselves in the media. If we look further than this public image, it can be stated that, under the responsibility of that battalion command, most of the military and humanitarian tasks were properly performed until the hectic days of July. When the VRS opened its attack on the enclave, however, Dutchbat was no longer able to determine the course of events, though it should be borne in mind that military defence of the enclave was explicitly not a part of the task or instruction and that passive action had been enjoined. Nevertheless, there is room for criticism of a number of separate aspects, including the nature and action of the battalion command.

(13) Reactions to the reports from refugees in Tuzla about massive violations of human rights were varied. Minister Pronk (Development Cooperation) first used the word “genocide” without any qualification in a NOVA broadcast on 18 July. Ministers Van Mierlo (Foreign Affairs) and Voorhoeve (Defence), on the other hand, expressed their concern but usually in cautious terms, partly motivated by concern for the vulnerability of Dutchbat as long as it was still stationed in the former enclave. The commander of the Dutch army, general Couzy, suggested on the basis of Dutchbat reports that it was not as bad as some made out. He barely countenanced the possibility, and certainly any (indirect) complicity by Dutchbat, from uncertainty about what had actually gone on in the enclave and from a desire to protect the image of the battalion and the army. Yet on the basis of everything that he had so vaguely and incompletely learned, he could have also concluded that that was precisely a reason for alertness and further investigation.

(13) The press conference by Defence in Zagreb marked a fundamental change of direction in the media. Until then the picture had been one of Dutchbat doing its work under difficult conditions. Journalists well understood that, as long as Dutchbat was still in the enclave, reticence was called for because of the risk of being taken hostage. The first press contacts of commander Karremans after the departure from the enclave damaged the image of both Dutchbat and Defence. His attempts to characterise the relation of the warring factions (“no good guys, no bad guys”) and his value judgements on general Mladic backfired completely in the light of what many journalists now regarded as the highly probable and serious killings by the Bosnian Serbs. Given the shocking excesses that had taken place, the media were somewhat ashamed of the compliant role they had played so far, and there was now a tendency to go to the opposite extreme. The situation was aggravated by understandable and in some cases well-founded complaints about the lack of information by Defence and the disruption of personal relations between Defence and journalists as a result of the failure to fulfil commitments.

(13) The negative image that emerged at that time was also fuelled by footage of a party after the arrival of Dutchbat in Zagreb. Shots of members of boisterous Dutchbat drinking beer have become the symbol of the alleged indifference of the Netherlands in general and of Dutchbat in particular to the fate of the Muslims killed in the mass executions. This footage, which has often been shown on television, was taken from a short excerpt from a much longer internal video, the full version of which was deposited in a public film archive by Defence in the autumn of 1995. This selection of images suggests that Dutchbat was partying in full awareness of the mass murders under the eyes of the press. All three suggestions are incorrect. The nature and scale of the mass killings were not yet known, yet alone fully realised; the partying was the spontaneous release of emotions after a very moving memorial service for their dead colleagues Raviv van Renssen and Jeffrey Broere. A few dozen men took part, a small minority of the battalion.

(13) The public condemnation of the role of Karremans was also affected by video footage, in this case recordings made by the VRS during his talks with general Mladic. It has to be stated that he was the victim of manipulation which led to his being filmed in a way that was fatal for his image. Someone put a glass in his hand in a situation in which he had just managed to meet a number of Dutchbat members who were being held hostage. Mladic’s attitude left Karremans no chance at all, but where there were opportunities he seems to have said the minimum and not to have made any promises or concessions which were out of order in the given circumstances.

(13) From Zagreb on a highly critical view of what had happened predominated. The situation did not improve when it was discovered that the supply of information by Defence left a lot to be desired. Suspicion arose that an unjust attempt was being made to preserve the reputation of Dutchbat untarnished. Minister Voorhoeve was constantly under fire, was uninformed of the facts, and therefore called for a broad, comprehensive inquiry, a continuation of the debriefing on a larger scale. He counted on the loyalty, support and correct political sense of the army. However, the army top had different priorities, such as preserving the image of Dutchbat and of the army, as a result of which the minister was informed relatively late, often inadequately, and on a few occasions was not even informed at all. The debriefing report was inadequate. The army could clearly put its stamp on it. Voorhoeve and his aides knew that. Nevertheless, he considered that there was no alternative but to praise the report, because he had used it to keep questioners at bay for weeks. Immediate recognition that the report was inadequate would be a disowning of the army, and he did not want that. Voorhoeve had become the prisoner of the debriefing report.

(14) The limited debriefing policy of the army top bounced back on the defence organisation like a boomerang. It was virtually paralysed, especially in the summer of 1998, by the constant Srebrenica exposures in the media. The new Minister of Defence, De Grave, felt the effects of this immediately after assuming office. He decided to act more forcefully: he ordered an inquiry to see whether Srebrenica had been hushed up. The Van Kemenade report found no evidence for that, but his investigation was not in the first instance intended to discover the truth; in the last resort it was about a problem of political administration that required an acute solution. Van Kemenade therefore did not conclude, as the present report does, that there was not only incapacity but also a deliberate attempt by the army top, contrary to the wishes of the Minister, to limit the flow of information and, where possible, to avoid sensitive issues. Van Kemenade failed to recognise the evidence for that; it should have led him, at least, to be more suspicious of his early conclusion that there had been no hushing up.

(15) After July 1995 the tragedy of Srebrenica has continued to have a profound effect, first of all for the survivors and next of kin of the population. For most of them, the events have wrecked their lives. In particular, many women from Srebrenica still suffer every day from what they have been through. Many of them had already had a series of exhausting and horrifying experiences before the setting up of the safe area. The attack, deportation and mass killings came after two years in a besieged fortress, in which the VRS used its ‘stranglehold strategy’ in an attempt to create an impossible situation in humanitarian terms. The process of digging up and identifying the corpses has still not been completed yet. In many respects the next of kin feel abandoned by the rest of the world, in Bosnia and outside it.

(15) The members of Dutchbat have also been deeply affected by their time in the enclave. Many of them have long-term psychological problems arising from their experiences in Srebrenica, and in some cases they are still serious. Many of them were not impressed by the counselling and aftercare they received. Their reception in the Netherlands, in an atmosphere of public debate in which Dutchbat was often presented in a very negative light, certainly did not help them to cope with their problems in a healthy and balanced way on the home front. That atmosphere left little room for understanding what it had ‘really’ been like according to the Dutchbat members. They did not recognise themselves in the image that dominated in the media, of deep black (mainly Bosnian) Serbs and lily-white Muslims. Most of the members of Dutchbat had difficulty in accepting that picture. The world that they had known during their stay in the enclave had been different.

(16) The mass killing had a strong shock effect in UN and NATO and contributed to a U-turn in US policy. In July 1995 a line was drawn at the menace to Gorazde, where British troops were stationed. The UN’s lack of flexibility because of the need to maintain impartiality diminished and there was an increased readiness to deploy the air force. The military were given wider powers to deploy it, and the ‘smoking gun’ condition was dropped. The shelling of the Markale market in Sarajevo in August 1995 triggered tough air strikes by the UN and NATO against the Bosnian Serbian air defence. That united action – “Deliberate Force” – led to Dayton November 1995, where the reluctant parties were nevertheless forced to sign an agreement. The Netherlands played no role at all at this stage. It was even banned from the conference table.

(source)

The full NIOD report on Srebrenica: click here

Geplaatst in (former) Yugoslavia, Verenigde Naties | Tags: , , , | Een reactie plaatsen